Vereniging Erfgoed Leidschendam

Postbus 3027
2260 DA  Leidschendam
info@erfgoedleidschendam.nl

Uitgave: Januari 2003

Boerenwijsheden en -gewoonten in Delf- en Rijnland

Boerenwijsheden en -gewoonten in Delf- en Rijnland

Tijdens onderzoek naar oude boerderijen in het voormalige Veur, Stompwijk, Voorburg en omstreken stuitten we op uitdrukkingen, gezegdes en gewoonten die in het boerenleven van vroeger dagelijks werden gebruikt. Wie ze op een rijtje zet, krijgt een redelijk beeld van wat zich rondom een boerenbedrijf zoal afspeelde.

Met Sinte Katrijn de koeien aan de lijn,
Als 't dan niet mag, met Sint Andriesdag:
Wie 't doet op Sinterklaas, is een dwaas.

Al mag de boerenstand in kleding en gebruiken de afgelopen decennia vervlakt zijn, veel boeren voelen zich nog altijd verknocht aan hun bedrijf. Men voelt zich 'anders' dan bewoners van de grotere steden en wil dat verschil graag beleven. Ook de door het bedrijf hardhandig opgelegde strenge leefwijze   -   vroeg uit de veren en een lange werkdag in de hier en daar nog stille polder  -  houdt sommige 'eigenaardigheden' van de boerenstand in tact. Niettemin zijn de laatste jaren veel oude gebruiken en gewoonten verdwenen, onder meer door de vèrgaande mechanisering van het bedrijf. Laten we daarom nog eens terugblikken naar de boerderij in de vorige eeuw.

Het was over het algemeen gebruikelijk dat het hoofd van het gezin, ook als er visite was, het eerst koffie of thee kreeg. Men sprak toen van 'effe een bakkie doen'. De babbelaars of 'smouzen' die daarbij nog wel eens ter tafel kwamen als versnapering, werden vaak niet werkelijk genuttigd. Dat was ouderwetse Hollandse zuinigheid, een levenskunst die de boer als geen ander verstond. Hij deed een vlieg in de suikerpot, om na een tijdje te kunnen zien of er niet stiekem van de suiker was gesnoept! Een ander typische boereneigenaardigheid was, op bezoek komen met een net aangestoken sigaar, met het doel niet de schijn te wekken dat men een ander op kosten wil jagen. Als de ene boer de andere een dienst had bewezen en daarvoor geen geld wilde aannemen, gaf de andere dit geld tòch onder het mom 'voor de spaarpot van de kinderen'.  En als men aan elkaar werd voorgesteld, was het geen gewoonte elkaar 'meneer' te noemen. 'Mevrouw' zeggen tegen boerinnen, dat deed men ook niet. Men sprak de boerin eerder aan met 'juffrouw'.
Boerenjongens op vrijersvoeten deden een meisje doorgaans een aanzoek halverwege de vastentijd. Het gezegde was: 'De derde zondag de grage, de vierde de trage.' Maar aanzoeken werden ook wel gedaan tijdens de kermis. De jongen gaf het meisje met wie hij uit was geweest een kermiskoek (een besuikerde snijkoek) cadeau. Als hij dan de volgende zondag naar de woning van het meisje ging en haar moeder die koek aansneed maar hem het kapje of korstje gaf, betekende dat hij was afgewezen.

Op weg naar de kermis. (Adolf Dillens, omstreeks 1874)

Dit eerste zondagsbezoek was in de eerste plaats hoffelijk bedoeld. Kwam hij de volgende zondag weer, dan was het een aanzoek. Kwam het uiteindelijk tot een bruiloft, dan werd de stal versierd door de buurjongens. Die kregen een afzonderlijke feestavond. Men kende nog het ritueel rond de pijp. Die werd door de bruidegom op de 'groene' bruiloft gerookt en vervolgens door hem bewaard tot zijn zilveren en eventueel gouden bruiloft, bij welke gelegenheid de pijp werd verzilverd of  met papier en bloemen versierd. Er werden zakjes bruidsuikers bij de buren rondgebracht. Als de bruid geen bruidsuikers strooide, werd er wel  geroepen : 'Koop liever luren voor je geld'.
Een gewoonte was ook, dat er hulp van buren was bij blijde en droeve gebeurtenissen. Zo ook bij ziekte, sterven en begraven. Deze hulp had plaats 'met gesloten beurs'. De mensen uit de buurt hielpen bij het verzorgen van de zieke, zowel lichamelijk als emotioneel. Het niet nakomen van de burenplicht (wat zelden voorkwam) werd de onwillige zeer aangerekend; hij had zich in de buurt onmogelijk gemaakt. Wanneer een zieke bediend werd, werden kaarsen ontstoken in de lantaarns van de koetsen. Bij de naaste buurman werd 's avonds gedurende drie dagen de rozenkrans gebeden, waarbij alle buurtbewoners zoveel mogelijk aanwezig waren. Als de persoon kwam te overlijden, werden onmiddellijk de luiken of gordijnen gesloten. De spiegel bedekte men met een witte doek. Bij de voordeur werd vaak een lantaarn geplaatst (dodenlampje) zonder kaars erin. Wanneer een kind of een ongehuwde was overleden, werd het dodenlampje met gekleurde linten versierd. Bij de meeste boerenhofsteden was het ook gebruikelijk, als teken dat er een dode in huis was, een bundeltje stro  naast de stoep bij de voordeur te leggen waartegen dan enkele stenen werden geplaatst. Veelal werd de begrafenis geregeld door de twee naaste buren.

In de verhouding van de boer ('de baas') tot zijn personeel is in de loop der tijd via arbeidswetgeving een grondige  -  en achteraf gelukkige  -  wijziging gekomen. Een inwonende boerenarbeider, boer-enknecht genoemd, kreeg in tegenstelling tot de daggelder een week vrij met vastenavond. Als de baas (voor de knecht ging 'vastenavonden') niets vroeg, kon de knecht daaruit opmaken dat het dienstverband met ingang van 1 mei stilzwijgend verbroken werd. Daggelders kregen geen week, maar 'drie dagen vastenavond'.  De vastenavond is iets wat men heden ten dage niet meer kent, evenals het spelen van een spelletje kaart op die avond voor Aswoensdag. Het was gebruikelijk om dan de speelkaarten in het vuur te werpen; ook dat behoort tot het verleden.

Boerenbruiloft (Nederlandsche klederdrachten, zeden en gwebruiken 1870)

Bij de protestantse boeren werd toentertijd veel 'geschimmeld'. Bij wijze van vastenavondgrap zette men dan een boerenwagen op het dak. Ook liet men klompen, waarvan het bovenstuk afgeslagen was, in de Vliet drijven met een brandende kaars erin. Het leken dwaallichtjes. Terwijl de gasten ernaar keken, jatten de jongens lekkernijen uit de kast. Ten noordoosten van de Vliet werden veelal met Sinte Katrijn (eind november) nieuwe knechten en meiden ingehuurd. Dan kregen ze een kaas mee naar huis en gingen in grote omliggende plaatsen feestvieren op de jaarkermis. Tegen Sinterklaas bezochten vooral de boerenzoons en dochters de Sinter-klaasmarkt, die veelal op een zaterdag vòòr 5 december werd gehouden. In de kerstnacht werd in sommige plaatsen een mand hooi buiten gezet om er de zegen van de kerstnacht over te laten gaan. Het eerste voer dat de koeien op kerstmorgen kregen, was dit hooi.
Soms werden de koeien buiten gezet, 'voor de pauselijke zegen'. Als men in het voorjaar, nadat de koeien op het land waren gezet de stalschoonmaak ging houden, werd er een stroop met brandewijn geschonken. Als de schoonmaak klaar was, werd er 'Jan in de zak' gegeten. Was in de zomer de hooibouw beëindigd, dan werd dit gevierd met het eten van 'bouwkoeken' (pannenkoeken). Ook dronk men dan hooibier, een mindere kwaliteit bier wat het alcoholpercentage aan ging. Sommige boeren hadden nog de gewoonte om als een paard een veulen had geworpen en het was gezond, de buren op vijgen te trakteren.

Ging men naar de markt met de brik, dan werd de staart van het paard in een mooie knot opgestoken, hetgeen een ingewikkeld kunstje was. Voor de zondag, als men met de tilbury naar de kerk ging, werd veelal de staart gevlochten. Een paard was een kostbaar bezit, men was er zuinig op. Zo gaat het verhaal van een boer die van Stompwijk naar Leiden moest en dit lopend deed, omdat hij zijn paard er niet aan wagen wilde.

De eerste biest werd bij de katholieken veelal aan de koe teruggeven met een scheutje wijwater erin, als dank voor een gezond kalf, en in de hoop dat er nog vele mochten volgen.  Als een koe dood was, kwam veelal 's nachts de slager, dit uit schaamte voor de buren. Ondanks dat wist de volgende dag de hele buurt het. Met Pasen werden de ossen versierd en voor de kerk gezegend. Dit gebruik heeft nog lang stand gehouden in Stompwijk. Als het varken geslacht was, kwamen de buren 'vet prijzen': ze kwamen eten en drinken. Het varken werd opgedist met een appel in zijn bek. De kop prijkte bovenop de hammen. Het was veelal de gewoonte om in het begin van de maand oktober de ram te inviteren bij de schapen. Een spaan aan het hek of een bosje stro aan een stok betekende dat er iets te koop was. Hier komt ook het gezegde vandaan 'iets uit de eerste hand kopen'.
Men bakte brood voor een week tegelijk. De rijst, veelal gegeten op de zondag, werd op zaterdag gemaakt en dan een dag bewaard in de bedstee van de opkamer. Naarmate de welstand hoger werd, raakte ook het gebruik van bedsteden steeds meer in  onbruik en deden deze slechts op het laatst nog dienst als bergplaats. Veelal kon men in de ouderlijke bedstee ook een klein 'kribje' aan de zijkant vinden. In dit houten gevalletje werd de baby's nachts neergelegd. En dan had je natuurlijk ook nog een plank voor de po of  'nachtspiegel', zoals die door sommigen werd genoemd.
Het verhuizen in voor- en najaar naar en van het 'zomerhuis' is nog lang in gebruik  gebleven. Veelal had men slechts in één kamer een kachel. Hierin vertoefde men 's winters en in de zomer verkaste men weer naar de kamer met het meeste zonlicht. Dit was vaak ook de ruimte waarin de keuken was.

Bijgeloof en volksgeneeskunde

ijgelovigheid en kwakzalverij hebben op het boerenbedrijf altijd een grote rol gespeeld, veelal uit traditie. Zo werd veelal door de boeren het vee niet op een maandag in de wei gezet, want er waren negen kwade maandagen in het jaar waarop allerlei ongelukjes gebeurden. Niemand wist vantevoren welke maandagen dat waren. Daarnaast was er de veronderstelling, dat als men de koeien op een donderdag of een zondag droog zette, ze overdag zouden kalven. Som-migen rekenden daar ook de vrijdag bij.
Op tal van boerderijen trof men koerduiven of koekeroe's aan. Deze gingen volgens het bijgeloof bepaald onheil tegen. Zo hing men een kooitje in de stal tegen het 'besmettelijk werpen' (ontijdig kalven). Anderen hadden de kooi in het achterhuis hangen, tegen huiduitslag bij de mensen. Soms werden de duiven ook wel uitgeleend als iemand uitslag had.  Ook hing men bepaalde kruiden in de stal om ziekten bij vee of paarden te bezweren.  Daarnaast waren er tal van gebruiken waar we nu om zullen lachen maar die toen heel gewoon waren.

We noemen er een paar:
Een geit droeg een touwtje in het oor tegen oorontsteking.
Als iemand gewond was door een roestig voorwerp, werd de riek in het vet of de olie gezet.
Kleine kinderen werden bang gemaakt met de bullebak of het varken (de beer).
Was een kind door een hond gebeten, dan werden een paar haren van die hond op de wond gelegd.

Beter een wond door een hond te laten likken dan door een kat. (gravure H. Brown 1840)

Volgens anderen moest een hond een zuivere tong hebben, dus wanneer je boter op een wond deed en die door een hond liet aflikken, genas het vlugger.De tong van een kat, die  rasperig is, werd afge-raden. Zwarte of witte kruisen die men vroeger veelal tegenkwam boven het kelderraam, waren voorbeelden van gekerstend bijgeloof. Ze werden aan-gebracht om boze geesten te bezweren. Later werden (door de katholieken) het huis, de stal en het vee besprenkeld met wijwater. Het vee liet men ook be-sprenkelen in het voorjaar, als het de stal verliet en op het land werd gezet. Ook op het gebied van het weer had men zo zijn eigen opvattingen: 'De maan zal de regen wel ophouden', 'Nieuwe maan op de eerste van de maand betekent regen', 'Als de eerste twaalf dagen van het jaar de zon geschenen had, zal het een goed jaar worden.'

Verouderde uitdrukkingen

De sterke verbondenheid van het boerengezin met het bedrijf, vindt men ook terug in veel gezegdes. Bekende uitdrukkingen die uit het boerenbedrijf zijn voortgekomen, zijn: "De Koe bij de horens vatten" , "Je kan geen hollend paard beslaan" of "Kijk toch uit, je giert er alles overheen". In het gebied van Delf- en Rijnland werden in de 19de en begin 20e eeuw de volgende uitdrukkingen veel gebruikt: Als men bij het zaken doen zei dat "Iets onder het paard zijn buik is terechtgekomen", dan bedoelde men dat het weg was. Of dat het hooi, dat een paard uit zijn ruif trekt zonder het te eten en dat op de grond onder zijn buik terechtkomt, als waardeloos moest worden beschouwd. In de herfst of in regenachtige tijden, als het land drassig is, spreek men wel van: "De koeien hebben met vijf bekken gegeten" (hun mond en vier poten hadden gaten in het land gemaakt).
Had een boer veel dochters maar kwamen daar geen vrijers op af, dan zei men ook wel: "Hij mag wel een spaan aan het hek zetten". Was een jongeman ergens eens op bezoek geweest en had hij dat minder leuk gevonden omdat hij er maar een beetje bijzat, dan duidde hij dit ook wel aan met de uitdrukking "Ik was slechts de dertiende big". Hij bedoelde hiermee dat een zeug gewoonlijk op twaalf biggen is berekend bij het zogen.

"Vrouw naar de Stad, halve koe dood" (Gravure H. Brown 1840)

Wanneer een boerenvrouw naar de grote stad ging, in de volksmond ook wel aangeduid met "gaan statten", sprak men wel van "Vrouw naar de stad, halve koe dood", hetgeen betekende dat wat ze dan uitgaf als bedrijfsschade moet worden gezien.
Bepaald vrouw-onvriendelijk was de uitdrukking "Je kunt beter een mager varken de mond stoppen dan een schreeuwige vrouw" (alvorens de varkens gevoerd worden, heffen ze altijd een gegil aan, dat plotseling verstomt, als er voer in de trog wordt gegoten).
Wordt het weer eens tijd dat een boerenzoon naar de kapper moest, dan gaf de moeder dit wel aan met: "Jongen, wat zit er een dik zwad op" ("zwad" wordt alleen van hooiland gezegd).

En wat te denken van de volgende fraaie uitdrukkingen:
Die vrouw is zo mager als een damhek
Veel koeien, veel moeien
Ik dacht een flinke otter te strikken
Als liever komt, moet nader wijken
Je zit lelijk in de bijt
Rooie en vale zijn donderstralen
Het gras komt en gaat met regen en wind
Wat je 't verst weggooit, raap je 't eerst op
Hooi aan de hoop, brandewijn met stroop
Als de sikkels blinken, gaan de koeien slinken
Voor een boer duurt de maand maart het langst (zijn hooi raakt dan op)
Regent het op het hooi, dan regent het ook op het gras
Als de koeien zich staan uit te rekken (een boer ziet dat liever van zijn vee dan van zijn volk)
Dat gaat niet, een varken heeft maar vier pootjes  (als men meer wil uitgeven dan men heeft)
Het hooi loopt achter de wagen aan (de meisjes lopen de jongens na)
Je kunt het niet hebben en goes (te goed) houden (je kunt er maar één keer van genieten)
Spaar, spaar, roepen de kraaien, maar zelf hebben ze geen kousen aan de poten
Hij heeft 'm  aan zijn klap (hij is eraan blijven hangen)
Het was weer harig weer (als 't hard gevroren heeft)
Zegen met je centen - zegen met je laven (bij de verkoop)
Je gaat over schuiten en wagens (je komt in opspraak)
Door de reep slaan (gezegd van een wispelturig man)
Lopen als een driestuiver big (die zijn mager, dus ze lopen hard)
In februari klagen de boeren het minst (dit is namelijk de kortste maand)
Als de boeren niet klagen, de pastoors niet meer vragen, zijn we in 't laatste der dagen
Een boer en een zog, hebben nooit genoeg.
Een beer en een heer willen steeds meer
Een gouden of zilveren dak op zijn woning (een hypotheek)
Hij is lek gevaren (hij heeft zich misrekend)
Hij heeft het lek boven water (hij heeft de fout gevonden)
Acht is meer als duzend (ergens acht op slaan)
De avond komt in het hooi (als het hooi vochtig wordt)
Zijn melk optrekken (zijn belofte niet gestand doen)
Even in de pet kijken (protestantse boeren met de pet voor het gezicht)
Zoek maar naar je klompen / hij zoekt naar zijn klompen (hij probeert zich ergens vanaf te maken)
Dat had je ook wel voor schofttijd kunnen vertellen
Zo vrij weer from (uitnodiging om eens terug te komen)
Hij zit onder 't oor van de barg (hij zit op de goede plaats)
Je kan beter zijn kerkboek te leen vragen dan zijn paard ...
... (Een boer leent liever zijn vrouw uit dan zijn paard)
Je houdt je beter dan je ouwe klompen
Bidt voor de geit want die heeft geen staart (uitroep)
Het is goed rijden met een gehuurd paard en een geleende zweep
Je moet me niet in een mandje melken (voor de mal houden)
Laten ze maar nijdig zijn, dan werken ze hard (boer over zijn knechts)
Dat kind moet naar bed, het is zo lui als een zog
Ik zal met een melkblokje je harsens inslaan
Die een varken ringt moet het schreeuwen maar gedogen
Daar draait het op uit; stront is het boerenbesluit
Een koe gaat van je af of komt op je aan (het mager of vet worden)
Een boer melkt zo - en zoveel koeien (hij is in goeden doen of welvaart)
Het paard of de koe staat de krant te lezen (het staat altijd op dezelfde plaats met gebogen hooft)
Stekels maaien is stekels zaai, stekels steken is ze de nek breken
De heer zei, dat de boer het land mishouen had (een boer onderhoud zijn land slecht)
Met een dood paard is het makkelijk sollen  (bij roddelpraat bv.)
Als een varken stijf wordt (sterft), springen al de anderen er boven op ...
... (Bij overlijden of faillissement)
De hollende wagen achterna lopen (de marktprognose verkeerd beoordelen)
De gestadige jager vangt het wild (niet te spoedig van teelt veranderen)
Een boer moet met zijn vee mee-eten (goed toekijken bij het voeren)
Net als een varken, altijd tegen de keer in ...
... (als je het vooruit wil hebben, moet je aan zijn staart trekken)
Een koe is niet zo dom als ie er uit ziet, want hij staat altijd met zijn achterste in de wind
Een koe weet pas wat zijn staart waard is als die hem kwijt is
De opgaande zon wordt bewonderd (als iemand succes heeft)
De beste paarden vindt men op stal  (de aardigste meisjes moet je niet op de dansvloer zoeken)
Zijn neus geeft meer dan een droge vaarkoe (als iemand verkouden is)
Een geit moet eten, waar ze vastgebonden is (met je eigen zaken bemoeien)
Fluitende meisjes en loeiende koeien zijn zelden goeie
Hij komt op de taptemelk  (in de handel: als de room er af is)
Hij heeft een verbeelding als een haan tussen zijn hennen
Een boer moet altijd achteruit gaan om vooruit te gaan ...
... (Hij moet steeds door de stal om te zien, hoe het met het vee staat)
De wind doodlopen (veel drukte maken om niets)
Schurftige schapen blaten het hardst
De koeien gaan alweer kosten (eten)
Een slak komt er even goed als een kikker
Met de lopende wagen (haastig)

Niet alleen had men zo zijn eigen gezegdes of uitdrukkingen, ook had men zo zijn eigen benamingen voor bepaalde zaken, al dan niet in dialectische vorm

barg (hooiberg)
bledje (op neus van kalf om zuigen te voorkomen; ook thee-blad)
biest (eerste melk van de koe na het kalveren, moedermelk)
bouwkoeken
bijzen (heen en weer rennen, van koeien)
das-, deel- of dorsvloer  (veelal lemen vloer waarop men het graan sloeg)
deze en gene  (rechts en links)
doorsteken (bederven)
duig (een hoeveelheid hooi, minder dan een lok)
evel (zinloos tussenvoegsel, vergelijkbaar met misschien)
evenaar (tweepaards-zwing)
geestig (van een paard gezegd ofwel er zit pit in)
gelijken (hooi gelijke, gelijk maken, gelijke hoeveelheden geven)
geschimmeld
grazen (het gras afmaaien en op stal voeren)
guns (guns komen, uitkomen met zijn geld)
haam (een lederen of houten juk om de hals van een trekpaard)
haar (de kleur van een koe)
hark/herk  (houten hooihark)
hoofden (het hoofden van een brug, houten brugge-hoofd in het weiland)
hortje (poosje)
jagen, joeg, gejoegen
joken (schreeuwen van koeien)
juk (houten werktuig er iets aan te dragen, bijvoorbeeld emmers met melk)
kabarg (kapberg, hooiberg)
klauw (ijzeren hark), het erf wordt aangeklauwd.
kniester (iets dat groot is n zijn soort)
kribje
lijsten (leidsel)
luchtledig (mager, een luchtledig ventje)
lok (hoeveelheid hooi)
luren
manden (een manden hooi)
netelig (lastig)
oduis (overdreven)
ongans (ziek, ook gezegd van slecht weer)
ongeharst (ongezeglijk, van paard, in tegenstelling tot "zinnig")
opmaken (hout opbinden, nadat het "afgezet", gehakt is)
pink (een jarige kalf. Dat nog alle melktanden heeft)
raam (plotselinge sprong van een paard)
rassig (smal, geestig paard)
rit (het rit aannemen, op hol slaan)
roven (het hooi rooft door de wind)
smetten (hout smetten, merken voor het omgehakt wordt)
smouzen
soortig (goede kwaliteit vee, in tegenstelling tot onsoortig)
speken (een wiel van de spaken trekken)
stellen (een melker stellen, een plaatsvervanger aanwijzen bij het melken)
tuk (hij is van een goeie tuk, van goede familie)
Twijfelen (verleden deelwoord 'getwefeld')
vaars (jonge koe van twee jaar, die nog niet voor het eerst gekalfd heeft)
vors (vorse koeien die pas gekalfd hebben)
werft (erf)
woning (het huis en land) ...
...  (een boerenjongen trouwt “op de woning” als hij introuwt in het bedrijf van zijn bruid)
 
Rolf van der Krogt

Rolf van der Krogt is coördinator/conservator van de Stichting Historische Collectie Veur-Stompwijk en Museum 't Lavende Hert i.o. te Leidschendam. 

 


terug naar overzicht

Laatste publicatie

Erf Goed Nieuws
mei 2018, jaargang 26, nummer 1

Erf Goed Nieuws mei 2018

Erf Goed Nieuws mei 2018

Lees verder Alle publicaties