Vereniging Erfgoed Leidschendam

Postbus 3027
2260 DA  Leidschendam
info@erfgoedleidschendam.nl

Uitgave: Januari 2003

Kezen, kezen en nog eens kezen

Kezen, kezen en nog eens kezen

Veur en Stompwijk, tegenwoordig Leidschendam geheten, waren van oudsher agrarische plaatsen. Het leven draaide er vooral om de land- en tuinbouw.  Wat Veur betreft is daarvan na de jaren zestig van de afgelopen eeuw vrijwel niets overgebleven. Slechts hier en daar komen we nog een bouwmanswoning of resten hiervan tegen. Het zijn slechts stille getuigen van een voorbije tijd en doen nu dienst als gewoon woonhuis. In Stompwijk en omgeving wordt het boerenbedrijf nog wel uitgeoefend, zij het op bescheiden schaal. Maar ook daar komt het boerenbedrijf door de verstedelijking steeds meer in het nauw.

Al sinds het begin van onze jaartelling woonden in deze toen nog Biesbosch-achtige omgeving kleine groepen mensen, die zich bezighielden met enigerlei vorm van landbouw en veeteelt. Door hun gezwoeg rondom de bouwmanswoning zou hier in de loop der eeuwen een weids weidelandschap ontstaan. Dit is voor een deel nog terug te vinden rondom Stompwijk. Lagen deze boerenwoningen eerst verspreid over het gebied, laten zouden door de bouw van onder meer arbeiderswoningen en winkeltjes kleine buurtschappen ontstaan, zoals Veenweg, Veur, 't Westeinde, Wilsveen en Stompwijk. Sommige hiervan , zoals Veur en Stompwijk, ontwikkelden zich tot een dorp met een eigen karakter.  Stompwijk is hiervan nog een goed voorbeeld.

 J. Besoet tekende in 1762 ongeveer vanaf de hoek Kostverloren/Veenweg de buurtschap Wilsveen, met rechts de kerk en links van de weg een hoeve. Het vee graast rustig in de weide nabij de Drie Molens (Stompwijk), terwijl een boer en zijn vrouw met paard en wagen op weg gaan naar de markt.

 Een groot deel van de bevolking van zo'n buurtschap/dorp behoorde tot de boerenstand. Het merendeel van de boeren had de beschikking over een flinke hoeveelheid land, die men grotendeels pachtte, en een veestapel van enkele tientallen koeien. Het beroep van boer was een gespecialiseerd ambacht. Vaak liet men zich aanduiden als 'landman' of 'bouwman'. Daarnaast waren er lieden die er zomaar wat vee op na hielden zonder zich 'boer' te noemen, hetgeen blijkt uit de jaarlijkse vee-tellingen ten behoeve van het Veefonds, een verplichte verzekering die eigenaars een vergoeding uitkeerde als hun vee wegens een besmettelijke ziekte moesten worden afgemaakt.
Een ander deel verdiende zijn brood als arbeider of boerenknecht. Velen hadden geen vaste werkgever en geen land of vee, hooguit een moestuintje, een varken of geit en een paar kippen die rond het huisje scharrelden. De ene keer gingen zij op karwei met de timmerbaas, de andere keer losten zij een turfschip of een schuit met veekoeken, of verhuurden zich aan de boeren om vee naar de markt te drijven, sloten uit te baggeren, wilgen te knotten of te helpen met hooien. Was er geen werk, dan probeerden zij wat te stropen of te vissen. In de winter waren velen vaste klant bij de armenzorg voor een turfje, een brood en een kommetje erwten.

Prentbriefkaart uit Stompwijk 1902, hierop kan men zien dat door bijbebouwing van arbeiderswoningen en winkels naast boerderijen een buurtschap c.q. dorpskern ontstaat, met natuurlijk in het midden de Laurentiuskerk.

Elk dorp had uiteraard zijn middenstand, die deels was voortgekomen uit het boerenbedrijf. Zo waren er bouwvakkers, timmerlieden, metselaars en rietdekkers, die over het algemeen een behoorlijke omzet wisten te halen. Ook de bakker en de slager boerden goed. De bakker omdat de meeste arbeiderswoningen, maar ook veel boerderijen geen oven hadden om zelf brood te bakken;  de slager omdat hij zijn vlees inkocht bij de boeren of zelf koeien hield. Moeilijker was het voor de kleermaker, de schoenmaker (die ook in klompen deed) en de smid. Was een dorp wat groter, dan was er plaats voor een aparte wagenmaker en een kuiper (voor de botervaten en weitonnen) en soms voor een meelmolenaar. Verder kende elk dorp of buurtschap zijn kasteleins en een aantal kooplieden en schippers die zich bezig hielden met de verkoop en vervoer van boter, kaas en vee.

 Daarnaast was er enige vorm van 'detailhandel': de winkels in garen en band, drop en snoep, koffie en thee,  water en vuur, zout en zeep, stroop en azijn (een veel gebruikt artikel voor het inmaken van levensmiddelen).  Dergelijke winkeltjes hadden veelal een assortiment dat zich beperkte tot één of twee artikelen.  Voor de meeste handel gingen de dorps-bewoners achterom en waren dergelijke winkels een bijverdienste van de vrouw van de smid of de kastelein. Met de boerenstand vormde de middenstand grotendeels de bevolking van een dorp/buurtschap; dat leidde tot een redelijke mate van welvaart.
Ook had elk dorp zijn autoriteiten: de burgemeester/secretaris, de dominee, de pastoor, de schoolmeester, de dokter of chirurgijn, de vroedvrouw, de belasting-ontvanger, de bode/veldwachter. En als een dorp wat groter was er ook nog een notaris en wellicht een kantonrechter.  Ongehuwde vrouwen werkten als 'werkmeid' bij de boerin in de kaas-makerij, als dienstbode bij de dominee, of als huishoudster bij de pastoor. Gehuwde vrouwen verhuurden zich als werkster, wasvrouw, baker of naaister bij de rijkere dorpsgenoten, of ze dreven een winkeltje. Velen hadden naast hun eigen beroep vaak nevenfuncties . Zo kon de schoolmeester ook de koster van de kerk zijn, maar ook doodgraver en voorzanger; een boer of kastelein was tevens tolgaarder, de hoefsmid had een praktijk als veearts; de chirurg dreef een barbierszaak; en de bedeelde weduwe had haar geheime kapitaal geïnvesteerd in een flesje jenever en schonk daaruit in haar huisje voor vaste stamgasten een borrel voor een cent. Enkel van de armenzorg kon niemand leven. Het was immers in die tijd voor de armen verplicht bij te verdienen waar zij konden.

Opname uit 1895 van een nog met riet gedekte oude hoeve op de hoek van de Damstraat en de Sluiskant te Veur. Deze boerderij werd ook wel aangeduid als een 'dorpsboerderij', daar het door de omliggende bebouwing in zijn geheel was opgenomen.

De veeboeren konden het best beoordeeld worden naar hun veestapel, want de hoeveelheid land die ze in eigendom hadden, kwam lang niet altijd overeen met de werkelijke bedrijfsgrootte. Veel boeren huurden of pachtten bij anderen. Vaak blijken in dorpskernen met de 'grootste' boeren ook de meeste pachters te wonen. Terwijl in streken met kleine bedrijfjes op schrale grond bijna iedere boer eigenaar was van zijn grond.

De boerderijen in drassige delen waren omgeven door sloten waarvan de oevers met eindeloze rijen knotwilgen waren beplant. In de droogmakerijen en oude veenafgravingen waren de bedrijven strak geometrisch van aanleg. Elders hadden de sloten en dijkjes een wat bochtiger verloop. Op de drogere gronden was de afscheiding te zien aan zanddijkjes met kreupelhout.

De bouwmanswoning te Veur en Stompwijk behoorde tot de 'Hallehuisgroep', die onderverdeeld was in:
A. het type van een rechthoekige bouwmanswoning met een zadeldak dat  veelal aan beide einde een wolfeind had, hetgeen ook wel wordt aangeduid  als 'langhuis' omdat woon- en staldeel in elkaars verlengde liggen onder  één kap;
B. het type van oorsprong rechthoekig bouwmanswoning waarvan het  woongedeelte aan één zijde is uitgebreid; ook wel aangeduid als 'hallehuis  met kruk'.
C. Het type waar het woonhuis dwars voor het werkgedeelte is geplaatst; ook  aangeduid als 'T-huis'.

Mag het woongedeelte verschillen, het werk- of stalgedeelte was bij alle types gelijk. Het voorhuis van de eigenlijke boerderij werd sober gehouden. De voordeur ging in vroegere tijden alleen open bij huwelijken en begrafenissen of doopplechtigheden. De mooiste kamer in het voorhuis, de opkamer, lag wat hoger boven de kelder en was te bereiken met een trapje. Deze kamer werd ook aangeduid als de pronkkamer.
Er was een bedstede met kinderkribje en er stonden de mooiste meubels. De boerin ontving hier haar kraamvisite. Oorspronkelijk was het op veel boerderijen gewoonte dat de opkamers 's zomers werd vrijgemaakt voor de verpachter.  Maar na 1800 was dit gebruik al redelijk in ongebruikt geraakt en kwam dit niet zoveel meer voor. Het boerengezin leefde 's zomers in de stalruimte, waarvan men een deel inrichtte als kamer. Dat laatste bleef men nog wel lang volhouden, omdat men dan het voorhuis gemakkelijk kon schoon-houden voor de melkproducten. In de kelder onder de opkamer lagen de boter en kaas koel opgeslagen. Voor de ingang van de kelder was een aparte ruimte die alleen bestemd was voor het maken van de boter en kaas. Kinderen mochten daar niet komen.

De schrijver Hildebrand schreef ooit over de werkzaamheden van de boerin:
'De bestemming van de Hollandse boerin is kezen, kezen en nog eens kezen; is bestendig zorgen dat de melk die 's ochtends en 's avonds na melktij wordt binnen-gebracht, de deur niet uitgaat dan in de vorm van goede, gezonde en niet barstende kazen. Dat geeft haar dagelijks zoveel werk, dat men niet weet hoe zij tijd vindt kinderen te krijgen. Toch krijgt zij die, en nog wel in menigten. Maar als het 'puppie' een dag of drie door de buren is 'bekeken' en in zijn tegenwoordigheid een aantal suikerstukken werd gegeten, verlaat zij de kraamkamer alweer en zet zich aan de kaastobbe'.

Tussen het voorhuis en de stallen lag de keuken of 'bouwhuis". Dit was het belangrijkste leefvertrek van de boeren-familie. Hier werden de etenswaren bewaard, de potten, de emmers en het koperwerk. Daar stond ook de melk te romen. Er was een pomp met putwater die uitkwam in een grote gemetselde bak, waarin de emmers gespoeld konden worden. De meiden sliepen doorgaans op de zolder boven het voorhuis, de boerenknechts op de 'til' boven de koestal, die met een ladder te bereiken was. In de stal, die van het zogenaamde voergangtype was, stonden de koeien 's winters aan weerkanten op een rij, met de koppen tegenover elkaar, de zogenaamde Hollandse vee-opstelling. De achterkant van de stal, die veelal eindigde met een wolfeind,  bevatte drie deuren. In het midden een grote, waar doorheen men met wagen en al de stal in kon rijden om bijvoorbeeld het vee te voeren. Via de twee zijdeuren, die veelal klein waren, kon men achter het op stal staande melkvee komen om bijvoorbeeld de grup uit te scheppen. Soms was er achterin de koestal een deel waar de paarden en wagens stonden. (Maar vaak ook had men hier een aparte wagenschuur voor met paardenstalling.) Daarboven lag een hooizolder. Helemaal achterin de boerderij was de dorsvloer, een werkruimte waar ook het meeste gereedschap stond. Daarboven was een zolder voor haver, rogge, en graan. Vlak naast of achter de bouwmanswoning stond een hooiberg. Ander vee stond over het algemeen in losse schuren op het erf. Veel bouwmanswoningen in Veur en Stompwijk zijn gebouwd naar een van de genoemde types uit de 'Hallenhuis'groep.  Sommige zijn van oudsher omgeven door een haag van bomen, die was aangeplant tegen de harde wind of felle zon. Daarnaast was er een boomgaard, moestuin en aan de rand enige hak-houtbosjes. Die laatste werden onder meer gebruikt voor het vervaardigen van stelen, palen voor op het erf of  op het land, maar ook als stookhout voor het warmwaterfornuis. Het pad of de laan die van de weg naar de boerderij leidde, was in meeste gevallen beplant. In sommige gevallen werd het begin hiervan gesierd met een ingangshek of - in Stompwijk -  door middel van een ophaalbrug. Wie nu nog eens goed naar de resterende bouwmanswoningen kijkt, ziet deze eigenschappen gemakkelijk terug.
Lange tijd heeft de boerenstand, met zijn productie van boter, kaas en tuinbouw, een stempel gedrukt op Veur en Stompwijk. Terwijl in het ernaast gelegen Voorburg deze karakteristieken allang grotendeels verdwenen waren en men enigszins neerkeek op de zwoegende bevolking in de buurgemeente (en daarmee haar eigen geschiedenis voor een deel verloochende), wisten de Leidschendammers (Stompwijkers/Veurenaren) deze nog lange tijd te bewaren.

Rolf van der Krogt

Rolf van der Krogt is coördinator/conservator bij de Stichting Historische Collectie Veur-Stompwijk / museum 't Lavende Hert i.o.

Boerderij 't Hemelrick die langs de Vliet stond in Veur werd in november 1925 door B. Verheul vereeuwigd.

In oktober 1927 werd te Veur door B. Verheul deze aquarel gemaakt van de aan de huidge Julianaweg staande bouwmanswoning "West Bosch".

In 1928 maakte B. Verheul op zijn speurtochten naar fraaie bouwmanswoningen deze aquarel van deze boerderij gelegen aan de Dr. Van Noortstraat te Stompwijk.

Boerderij 'Veelust' aan het Oosteinde te Stompwijk, in aquarel vereeuwigd door B. Verheul in 1928.

 


terug naar overzicht

Laatste publicatie

Erf Goed Nieuws
mei 2018, jaargang 26, nummer 1

Erf Goed Nieuws mei 2018

Erf Goed Nieuws mei 2018

Lees verder Alle publicaties