Vereniging Erfgoed Leidschendam

Postbus 3027
2260 DA  Leidschendam
info@erfgoedleidschendam.nl

Uitgave: Januari 2003

Koe Pietje is niet koe Bertha

Gewapend’ met unster (weegschaaltje met haak), scheplepel en een flesje controleerde Piet Bonder (63) jarenlang de koeien op de kwaliteit van hun melk en op ziektes, onder meer in de regio Stompwijk. Van vele duizenden koeien maakte hij een soort paspoort.

Voor Piet Bonder heeft de koe weinig geheimen. Hij kent dit nobele dier als zijn broekzak. Zet hem bij een koe en hij ziet in één keer ‘aan kop en ogen’ of het dier vitaal is. Ook nu hij alweer een paar jaar in de Vut zit, is hij nog geregeld tussen de koeien te vinden. Laatst nog, tijdens een fietstocht door Zuid-Hollandse polders, kon hij het niet laten af en toe even af te stappen en een hekje over te klimmen om de dieren van nabij te inspecteren. ‘Mijn dochter zegt wel eens: als pa koeienmest in zijn haren heeft, dan weet je dat-ie het naar zijn zin heeft.’

Modder op de poten

Als joch van 12, 13 jaar stond hij op de boerderij van zijn vader, in het Drente dorpje Gasteren (‘Tussen de essen en de heidevelden’), vaak voor dag en voor dauw al de koeien te verzorgen. ‘Ik kende iedere koe door en door. Laatst zag ik foto’s uit die tijd: van alle koeien die er op stonden, wist ik nog precies hun namen.’
Het lag voor de hand dat Piet van het werken met koeien zijn vak zou maken. ‘Maar niet als boer. Mijn hart lag toch meer bij de rundvee-controle.’ Na een opleiding ging hij als 2e controleur aan de slag bij de fok- en controlevereniging in het Utrechtse Harmelen, waar hij ook ‘KI’ ging doen: het begeleiden van kunst-matige inseminatie. Hij bracht het in 1968 tot Nederlands kampioen vee-beoor-deling. ‘Ik was voordien nooit verder ge-komen dan de tweede plaats, er deed altijd wel iemand mee die beter was dan ik. Toevallig waren de besten er toen niet bij’, zegt hij in oprechte bescheidenheid. ‘Maar misschien was ik die dag ook wel in topvorm.’
Begin jaren zeventig kwam hij via Alphen aan den Rijn en Gouda te werken bij de fok- en controlevereniging Zoeter-woude’s Glorie. In een groot deel van Zuid-Holland, inclusief Stompwijk en een deel van Leidschendam, ging hij koeien controleren. Tot zijn vaste uitrusting behoorden een weegschaal met trekhaak (unster geheten), een lepel (een kokervormig metalen kommetje aan het eind van een ongeveer 30 centimeter lange steel) en flesjes. ‘Daarmee zat ik vaak ’s morgens al om half zes te monsteren. Je nam met je lepel een beetje van de morgenmelk van de koe, deed dat in een flesje en ’s avonds nam je bij de dezelfde koe een monstertje van zijn avondmelk, die minder vet is. Beide monsters deed ik bij elkaar, zodat je één homogeen monster kreeg. Na 3 of 4 weken nam ik opnieuw monsters. Dat leverde steeds gegevens op die werden uitgezet over een periode van 305 dagen. Dat is precies een jaar min de twee maanden dat de koe ‘droog’ staat; het dier moet dan op verhaal komen of kalveren.’
De monsters werden aanvankelijk door de controleurs zelf onderzocht. ‘Dan deed je eerst een laagje vloeistof  in een reageerbuis, dan 12 cc melk, beetje zwavelzuur er bovenop en dan schudden om de vetballetjes er uit te slingeren; later gebruikten we daar een centrifugeer-machine voor. Door die metingen kun je aflezen hoeveel melk ze geeft, hoeveel vet er in de melk zit en het percentage eiwit. Je ziet dan meteen het verschil tussen koe Pietje en koe Bertha.’
Tegelijkertijd was hij ook alert op ziektes bij de dieren. Kopziekte kwam bij-voorbeeld geregeld voor. Als controleur herkende Bonder de symptomen al meteen. ‘De koe gaat zwalken en ziet er niet ‘fris’ uit, zoals ze dat bij de paarden noemen. De ogen staan dof. Het dier verwijdert zich van de kudde, gaat ergens liggen en komt niet meer overeind. Een gevolg van onevenwichtige voeding: te weinig calcium, te veel nitraat.’ Door de veel even-wichtiger veevoeding komt dit probleem nu nog maar weinig voor. En natuurlijk waren er ook de bijbehorende administra-tieve taken, zoals het bijhouden van de ‘dek’-boeken. Daarin noteerde hij nauwgezet welke koe door welke stier werd bevrucht.  ‘Belangrijk, omdat je dan de beste fokresultaten krijgt en tegelijk aan dierziektebestrijding kunt doen. Dan zei ik tegen een boer: die stier daar, die moet je het komende jaar voluit laten gaan. Niet zelden zei die boer een paar jaar later: je hebt gelijk gehad, er zijn prima beesten uit voortgekomen. Van sommige dieren wist ik tot tien generaties terug wie hun ouders waren.’ Speciaal voor de fok maakte hij een schets van iedere koe die hij onder zijn hoede had. Daarop moest onder meer duidelijk te zien zijn waar de grens tussen rode en witte huid liep. Iedere koe heeft een andere huidtekening. Bij zwart-witte koeien moest ook de kleurafscheiding op de poten worden getekend. ‘Dat viel niet mee, omdat de poten vaak onder de modder zaten.’ Al schetsend en metend ontstond zo van iedere koe een soort paspoort.
Door de sterke groei van het aantal koeien werd het bemonsteren van de koeien later uitbesteed aan particulieren. Bonder: ‘Sommige mensen hadden daar een betaald bijbaantje aan: in plaats van een krantenwijkje lopen gingen ze be-monsteren. Dat scheelde ons een hele hoop werk. De flesjes werden dan gewoon bij mij ingeleverd. Vervolgens gingen ze voor onderzoek naar het labo-ratorium in de Alblas-serwaard. Toen in Zutphen het Centraal Laboratorium werd opgericht, werden de monsters niet langer met de hand gecontroleerd, maar aan de lopend band; met computers en lasertechniek.’

In de file
Het was omstreeks die tijd  -  begin jaren zeventig  -  dat Bonder ervoer dat ‘de romantiek’ uit het vak van vee-controleur begon te verdwijnen. Het was de tijd dat de grootschalige dierhouderij sterk in opmars was. Rationalisatie, mechanisatie en schaalvergroting waren niet meer te stuiten en vormden de nekslag voor de plaatselijke controle-verenigingen. Bonder: ‘Geleidelijk aan werd het steeds moeilijker zelf inhoud aan het vak te geven. Ik was gewend ’s ochtends om een uur of half 5 op te staan. Ging ik in alle rust naar m’n werk en dan stond ik om half zes bij de koeien. Maar nu kreeg ik vaste werktijden. Moest om half acht ’s morgens in Lexmond beginnen, op dezelfde tijd als iedereen die daar werkte. Die verandering vond ik al niet prettig, maar vervelender was dat ik voortaan in de file stond. Terwijl ik een buitenmens ben!’
Na een aantal reorganisaties en fusies kreeg hij eind jaren negentig de mogelijkheid om in de Vut te gaan. Het was geen vrije keuze; liever had hij zijn werk voortgezet. Niet dat hij het daar moeilijk mee had. ‘Het is niet anders. Je kunt de ontwikkelingen toch niet tegenhouden’, klinkt het uit de mond van deze nuchtere Drent. Dat de koe bij dit alles steeds meer ‘ding’ in plaats van ‘dier’ werd, vindt hij jammer. Toch denkt hij niet dat de algehele verzakelijking in de veehouderij ten  koste is gegaan van het welzijn van de dieren. ‘Het voer is veel beter geworden. En ook de verzorging is met sprongen vooruit gegaan.’ De gemiddelde melkkoe geeft nu bijna twee keer zoveel melk als dertig jaar geleden (ongeveer 10.000 liter per jaar), maar die verdubbeling van melkprestatie moet het dier volgens hem gemakkelijk kunnen opbrengen. ‘Veertig jaar geleden had een auto een motorvermogen die we tegenwoordig op een bromfiets zetten. En kijk ook eens naar topsporters: hun prestaties zijn toch ook steeds beter geworden? Waarom zou dat bij de koe niet kunnen?’
 In huize-Bonder heeft de koe nog altijd een voorname plaats. Aan iedere wand hangt wel een plaatje van deze edele viervoeter: koeien achter elkaar in een drafje, een koe solo, een vergezicht van een weitje met blaarkoppen. Maar Piet Bonder heeft tegenwoordig een andere passie: hij controleert en beoordeelt nu konijnen.

Jos Teunissen


terug naar overzicht

Laatste publicatie

Erf Goed Nieuws
mei 2018, jaargang 26, nummer 1

Erf Goed Nieuws mei 2018

Erf Goed Nieuws mei 2018

Lees verder Alle publicaties