Vereniging Erfgoed Leidschendam

Postbus 3027
2260 DA  Leidschendam
info@erfgoedleidschendam.nl

Uitgave: Augustus 2015

“Die kolen zijn er in mijn beleving altijd geweest”

“Die kolen zijn er in mijn beleving altijd geweest”

Het is maandagavond 24 november 2014 als ik op visite ga bij Gerard, Jeanne en hun nichtje Tessa van der Meer. Na een hartelijke ontvangst met koffie vertelt Gerard het verhaal van drie generaties Van der Meer: die van zijn opa Gerrit, zijn vader Jan en die van hemzelf, zijn broers en zus. Gerrit van der Meer was een begrip, niet alleen als kolenboer en warmwaterstoker. Velen kwamen een kaartje leggen in het ‘Praathuis’ in de Rodepannenbuurt.

In het gezin van Isaac van der Meer en Elisabeth van der Lubbe wordt op vrijdag, 14 maart 1890, des voormiddags ten tien ure, in het huis wijk C No. 68 te Stompwijk, Gerardus (Gerrit) van der Meer geboren. Gerrit groeit op in Stompwijk en werkt daar als loswerkman.

Op 23 augustus 1912 treedt hij in Voorschoten in het huwelijk met Maria Cornelia van Hagen. Zij is dan 24, hij 22. Uit het bevolkingsregister van Veur blijkt dat Gerrit en Maria Cornelia twee maanden na hun huwelijk, op 30 oktober 1912, vestigen zich in de gemeente Veur. Maria Cornelia is dan afkomstig uit Zoeterwoude en Gerrit uit Stompwijk. Zij gaan wonen aan de Veursestraatweg 54. Op dat moment is Maria Cornelia hoogzwanger, want nog dezelfde middag om vijf uur wordt hun eerste zoon, Laurentius Cornelis Jacobus, geboren. Bij de aangifte van de geboorte op het gemeentehuis van Veur, destijds gevestigd aan de Delftsekade, zijn als getuigen de veldwachters Theodorus Johannes Gerritsma van Veur en Pieter Blom van Stompwijk aanwezig.

Bij de geboorte van zijn zoon zien we dat Gerrit tramwegwerker is. We spreken hier nog over de tijdsperiode van de stoomtram, welke fluitend en knarsend door het destijds zo rustieke Veur reed. Op 7 februari 1914, bij de geboorte van zijn eerste dochter Johanna Helena, is Gerrit koetsier van beroep. Hij heeft zijn eigen koets waarmee hij personen vervoerd. In de jaren hierna heeft Gerrit nog diverse betrekkingen. Op zijn 25-ste zien we Gerrit als loswerkman en rond zijn 29ste als grondwerker.

Een aantal jaren na de realisatie van de “Rodepannenbuurt”, een voor die tijd vooruitstrevend concept waarbij bewoners in hun ruime achtertuin zelf groenten kunnen kweken, zien we in de huurstaat van de R.K. woningbouwvereniging St. Willibrordus van 1 februari 1923 het gezin van Gerrit van der Meer terug. Gerrit heeft volgens deze staat een jaarinkomen van 1.350 gulden en betaalt 4 gulden per week aan huur. Helaas geeft een aantekening in de kantlijn ook aan dat hij de afgelopen 13 weken werkloos is.

 Huurstaat R.K. woningbouwvereniging ‘St. Willibrordus’ 1 februari 1923.

Het zijn zware tijden voor het gezin Van der Meer. Ze wonen in de St. Willibrordusstraat 34, met inmiddels zes kinderen. De vader van Gerrit, Isaac van der Meer, is enkele jaren hiervoor, in 1917, overleden. Het gezin heeft naast de kinderen ook nog de moeder van Gerrit in huis. De gevolgen van de crisisjaren uit de jaren dertig worden pijnlijk duidelijk. Met het onderhouden van een groot gezin moet ook bij Gerrit het roer volledig om.

Op 15 juni 1932 vraagt Gerrit van der Meer bij de gemeente Veur een bouwvergunning aan voor het oprichten van een heetwaterstokerij. Op 17 juni 1932 krijgt hij van B en W toestemming om op het perceel schuin tegenover zijn woning (Veur sectie B nr. 1860), een plaatijzeren loods van 5 bij 3 meter neer te zetten om zo zijn bedrijf te kunnen starten. Volgens de bouwvergunning zal Gerrit de bouw van de loods zelf uitvoeren. De vermoedelijke bouwkosten van de loods worden geschat op 200 gulden. De grond huurt hij van de familie Rozenburg van de wasserij.

Aanvraag bouwvergunning 15 juni 1932 heetwaterstokerij Gerrit van der Meer.

Middenin de bedrijfsruimte staat tegen de achterwand een met gips omklede ketel met zo’n 2.000 liter water. Al vroeg in de ochtend wordt begonnen met het stoken van hout, zodat ’s morgens om 6 uur het water al lekker staat te pruttelen. Het kokende water wordt hierna in houten tonnen (in de vorm van een bierfust) van ongeveer 60 liter gedaan, stevig afgedicht met een kurk met jute en zo met paard en wagen rondgebracht. Gezinnen nemen vaak enkele vaatjes af. Ook halen buurtbewoners bij Gerrit met meegebrachte emmers heet water af. Het water wordt veelal gebruikt voor de was en het boenen van vloeren.

Menigeen herinnert zich uit die tijd nog de zinken teil waarin het hele gezin werd gewassen.

Naast warm water verkoopt Gerrit een compleet assortiment aan was- en schoonmaakmiddelen, zoals zeep-poeder, zakjes chlorix (‘zakje blauw’), Sunlight-zeep, ammoniak en zelfs zoutzuur. Het zoutzuur wordt aangeleverd in mandflessen en overgeheveld in literflessen door hevelwerking. Maar ook huishoudelijke artikelen en klompen zijn bij Gerrit te koop, hij heeft het gereedschap om ze te maken of aan te passen. Het is een echte winkel van Sinkel. In de begintijd doet Gerrit met paard en wagen ook verhuizingen. De levering van heet water wordt, na aanvankelijk te zijn afgebouwd naar alleen de maandag, omstreeks de zomer van 1965 beeindigd. Bijna gelijktijdig met de waterstokerij is Gerrit ook begonnen met de verkoop van kolen, later gevolgd door olie en vloeibaar gas. Na de oorlog was Jan, de zoon van Gerrit, al in het bedrijf gekomen. De kolen worden aangeleverd per spoorwagon met een inhoud van 30 ton vanaf het terrein van de voormalige veiling van Veur aan de Vlietweg. Ze kolen werden ter plekke over geschept in jute zakken van elk zo’n 50-60 kilo, die vervolgens met paard en wagen en later met de vrachtwagen worden vervoerd en overgebracht naar het bedrijf aan de St. Willibrordusstraat. Het leeghalen van zo’n treinwagon was gezien de zware fysieke inspanning een dagtaak. Als de veiling van Veur verdwijnt, moet men naar de Binckhorst en hierna naar de groothandelsmarkt. Later worden de kolen per vrachtwagen rechtstreeks uit Duitsland geleverd of opgehaald bij de groothandelsmarkt. Voor de klanten worden de kolen in jute zaken van een half mud gedaan.

Omstreeks 1954: Gerrit met zijn tweede vrouw, Adriana Johanna Maria Greve, en zijn schoondochter Maria van Rijn.

Afhankelijk van het soort kolen was dit ongeveer 35 kilo per zak. De kolenboer zorgt voor warmte in huis, wat anno 2015 een gemoedelijk en nostalgisch tijdsbeeld oplevert: rond de kachel waar vader de krant leest, de kinderen spelen en moeder naar de radio luistert. Toch kleefde er, geheel ten onrechte, aan het beroep van kolenboer een negatief imago. ‘Kolenboer was je omdat je niets had geleerd, je was zwart en vies en soms ook lastig.’ Bij een huis ging je vaak (vooral in de wintermaanden met sneeuw) buitenom naar het kolenhok, vaak achter op het plaatsje. Mocht of moest je binnendoor, dan werden er door de vrouw des huizes kranten op de gangvloer gelegd.

In 1943 overlijdt de echtgenote van Gerrit, Maria Cornelia; zij is nog maar 55 jaar. Gerrit zal enkele jaren later hertrouwen en verlaat in 1947 Leidschendam, hij gaat wonen aan de Antheunisstraat 140 in Den Haag. Zijn zoon Jan blijft wonen bij het bedrijf aan de St. Willibrordusstraat.

Na de oorlog koopt de familie Van der Meer haar eerste vrachtwagen. Het betreft hier voor die tijd de populaire Ford type 5G. Deze vrachtwagen werd in oorsprong gebouwd voor het Amerikaanse leger en in 1945 geïmporteerd naar Nederland. Het registratiebewijs dateert van oktober 1945. Omstreeks 1958 zal, na vele jaren trouwe dienst, het paard en wagen uit het straatbeeld verdwijnen en definitief plaats maken voor gemotoriseerd verkeer.

Ook het beroep van kolenboer veranderde. Aan verwarmingsapparatuur werden andere eisen gesteld.

Ook werden leveranciers van kolen, olie en gas geconfronteerd met veranderende regelgeving. Bij kolen was er niet alleen verschil in soort, zoals huisbrand (antraciet, cokes en eierkolen), smeedkool en industriekool, ook was er verschil in kwaliteit en afmeting, variërend van 1 tot en met 5. Elke kachel had zijn eigen afmeting. In de laatste jaren werden kolen hoofdzakelijk als 4-tjes en 5-jes verkocht. Turf was al lang niet meer verkrijgbaar.

Bij olie was er een aanmerkelijk verschil in de soorten huisbrandolie. Dit had te maken met de dikte van de olie en de zuiverheid. Bij de huisbrandinstallaties werd uitsluitend petroleum gebruikt. Deze werd geleverd met de tankwagen of met oliecans. De familie Van der Meer heeft later ook een tankwagen aangeschaft.

Bij de levering van gas, butaan en propaan (verschil in kookpunt) betrof het de levering aan voornamelijk woonboten en woonwagens, die in die tijd in Leidschendam ruimschoots voorkwamen. Hier werden ook installaties, verwarming en geisers geplaatst. Ook mobiele gebruikers als marktkramen werden voorzien.

Gerard is bij zijn opa en zijn vader Jan als kind begonnen met het hakken van aanmaakhoutjes en het vullen van papieren zakken met verschillende soorten kolen. Die zakken, met een inhoud van 7-8 kilo, moesten worden klaargelegd voor de verkoop. Toen Gerard 15 was, is hij definitief begonnen in de kolen. Het was een echt familiebedrijf waar inmiddels ook zijn broers en zus werkten. Hij herinnert zich als16-jarige de winter van 1963, de beelden van een bevroren IJsselmeer, het kruiende ijs aan het strand, de sneeuwstormen en de heroïsche overwinning van Reinier Paping bij de, op de dag van vandaag tot de verbeelding sprekende, Elfstedentocht. In die winter er was geen doorkomen meer aan, ze moesten gedwongen ‘nee’ verkopen. Dat was nog nooit voorgekomen. En het zou ook niet meer gebeuren. De kolen werden verpakt in jute zakken van een half mud, afhankelijk van de kolensoort was dit ongeveer 35 kilo. De mensen in de flatwoningen hadden een kolenhok ‘boven’. Als er een klant op de Burgemeester Velthuijsenlaan 4 hoog was, die 1,5 mud moest hebben, dan liep je met drie zakken met een totaalgewicht van 52,5 kilo omhoog. ‘Je was dit gewend, maar er is wel een bepaalde draagtechniek voor nodig om dit te doen.’

De familie Van der Meer had voor hun klanten een spaarsysteem. Daaraan deden tussen de 75 en 100 mensen mee. Elke zaterdag kon een klant voor een gulden één spaarzegel kopen. Als de spaarkaart vol was, werden er in je kolenhok kolen voor je gestort. Zo betaalde je met de spaarkaart de levering van de kolen.

Kolen kenden ook een ‘zomerprijs’: klanten konden in de zomermaanden tegen een gereduceerd tarief kolen kopen. Op deze manier werden de (financieel) dure wintermaanden ontzien. De kolen werden vaak betaald van het vakantiegeld of tegen inlevering van spaarzegels. In de huis-aan-huisbladen stond een prijslijst van deze ‘zomerkolen’.

Het betaalzegelboekje van brandstoffenhandel G. v.d Meer.

Tussen 1955 en 1965 werden in Leidschendam diverse woningbouwprojecten gerealiseerd, onder meer de Delflandstraat, Plaspoelstraat, Rijnlandstraat, Prinsenhof, Amstelwijk en De Heuvel. Voor deze tijd ruime (flat)woningen voorzien van alle wooncomfort en de nodige luxe. In 1959 werd in Slochteren één van de grootste gasvelden van de wereld ontdekt. Een kleine 5 jaar later, in 1964, wordt Leidschendam op het aardgasnet aangesloten. We hebben warmte in huis, maar de consequentie laat zich raden: de zo welkome huiselijke kolenwarmte zorgt voor een definitief einde van de waterstokerij. Ook de verkoop van kolen, olie en gas loopt in rap tempo terug.

De familie Van der Meer begint in de jaren zestig met schoorsteenvegen. De benodigdheden en attributen hiervoor worden bij een speciaal bedrijf in Alkmaar gekocht. Dit blijkt een schot in de roos, want Gerard en zijn broers hebben jaren werk aan alle schoorstenen van met name de woningbouwcomplexen in Leidschendam. Als een schoorsteen wordt geveegd kan dit zowel van boven als van onder en moet de (gas)kachel worden losgekoppeld. De verantwoordelijkheid hiervoor was in handen van de schoorsteenveger. Naast de nodige vakdiploma’s had Gerard ook het diploma schoorsteenveger.

Lange tijd had de vader van Gerard de enige telefoon in de wijk. Dit veranderde in de jaren zestig. Vanuit de waterstokerij was het mogelijk met een schakelaar de verbinding over te zetten naar huis. Het systeem werkte op één telefoonaansluiting met twee toestellen.

Gerard brengt, net als zijn zoon Jan (zie foto), met een transportfiets zakken kolen langs de deur. (Bron: uitgave Wiewatwaar Leidschendam, Jan Vreeswijk)

Visitekaartje Gerrit van der Meer en Zonen

In de waterstokerij werden ook staatsloten, sigaren, sigaretten, frisdrank en bier verkocht.

Werknemers van de Davo, Schouten en Overvliet, alsmede wijkbewoners, kwamen na hun werk graag een praatje maken en iets gebruiken in wat inmiddels ‘het Praathuis’ van Gerrit werd genoemd. Het verhaal gaat dat een trouwe klant ooit een briefkaart vanuit zijn vakantiebestemming in Spanje heeft gestuurd met de adressering ‘Het Praathuis, Leidschendam’. De postbode wist hier wel raad mee, de briefkaart werd keurig bezorgd.

Volgens het uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel draagt Gerrit op 27 oktober 1973 het bedrijf over aan zijn zoon Johannes Jacobus (Jan) van der Meer. Het bedrijf wordt omschreven als een ‘kleinhandel in vaste, vloeibare en gasvormige brandstoffen, kruidenierswaren en schoorsteenvegerij’. De verkoop van kolen, olie en gas houdt geleidelijk aan op. Uiteindelijk was de verkoop van staatsloten en sigaretten de belangrijkste bron van inkomsten. Eind 1992, na het overlijden van Jan, werd het ‘Praathuis’ gesloten en gesloopt. Zo kwam er na 60 jaar een einde aan een tijdperk.

De ‘Rodepannenbuurt’ is sinds haar oprichting in 1919 een hechte gemeenschap geweest. Een arbeidersbuurt waar mensen elkaar hebben zien opgroeien, waar de ruime tuinen achter het huis in de loop der tijd plaats maakten voor een schuur of aanbouw, de mensen uit de buurt niet aanbellen maar via de poort gewoon achterom gaan voor een praatje of een kop koffie. Wie herinnert zich niet het cafetaria van mevrouw Zonneveld (‘moeder Mien’), en Kleijn de visboer.

Idsard Bosman


terug naar overzicht

Laatste publicatie

Erf Goed Nieuws
mei 2018, jaargang 26, nummer 1

Erf Goed Nieuws mei 2018

Erf Goed Nieuws mei 2018

Lees verder Alle publicaties