Vereniging Erfgoed Leidschendam

Postbus 3027
2260 DA  Leidschendam
info@erfgoedleidschendam.nl

Uitgave: Augustus 2015

Leidsenhage, het ontstaan van een regionaal winkelcentrum

Leidsenhage, het ontstaan van een regionaal winkelcentrum

In de boedel van mijn in 1990 overleden vader kwam ik een mapje tegen met stukken over het winkelcentrum Leidsenhage. Daar zat ook onderstaand artikel bij, dat hij rond 1980 geschreven moet hebben. De tussenkopjes heb ik er zelf tussen gezet. De foto’s zijn afkomstig van het gemeentearchief van Leidschendam-Voorburg, waarvoor dank aan Idsard Bosman.

“In mijn ruim 25-jarige loopbaan als directeur Gemeentewerken in de gemeente Leidschendam heb ik bijzonder interessante werken tot stand helpen brengen. De ontwikkeling van een aardige plattelandsgemeente tot een min of meer stedelijke randgemeente van een grote stad bracht veel zaken mee die in een normale gemeente van een dergelijke omvang nooit voorkomen. Een daarvan is het ontstaan van het regionale winkelcentrum Leidsenhage. Er is weinig tot geen documentatie over. Veel van wat hierna volgt komt u niet tegen in verslagen of notulen. Ik heb de moeite genomen om alle dossiers in het gemeentearchief met betrekking tot Leidsenhage door te spitten. Helaas is vrijwel niets te vinden. Zelfs de notulen van de B&W vergaderingen laten op dit punt verstek gaan. Voor mij vormden de (interne) notulen van de werkbesprekingen van het ambtelijk stedenbouwkundig team een stevig houvast. Daaruit en afgaande op mijn geheugen kan ik de gehele procedure vrij nauwkeurig vastleggen. Het is haast onbegrijpelijk dat in een vrij korte tijd beslissingen van diepgaande betekenis werden genomen, op basis van besprekingen tussen overheid en particuliere instanties. Van inspraak was nauwelijks of geen sprake. Zou een dergelijk project in de huidige omstandigheden ook zo tot stand zijn gekomen? Ik betwijfel het.

Met het onderstaande verhaal wil ik voorkomen dat de ontstaansgeschiedenis in de vergetelheid geraakt en de totstandkoming van Leidsenhage als iets vanzelfsprekends wordt beschouwd.

K.H. Neukirchen, oud directeur gemeentewerken en grondbedrijf gemeente Leidschendam.

Zwolsman

In het begin van de zestiger jaren beraamdede projectontwikkelaar enbouwondernemer Reindert Zwolsman,tevens de voornaamste aandeelhoudervan de Landbank, grootse plannen totstichting van een winkelcentrum in de nieuwe Haagse wijk Mariahoeve, dat inomvang en kwaliteit het Haagse stadscentrumzou evenaren. In januari 1961 werd op nogal luidruchtige wijze in Hoteldes Indes het ontwerp voor het winkelcentrum Mariahoeve geïntroduceerd.

Verenigde Staten

In het voorjaar van hetzelfde jaar vertrok een groepje deskundigen onder aanvoeringvan Zwolsman naar de Verenigde Staten om daar poolshoogte te nemenover de ontwikkelingen van zogenaamdeshopping centers in grote steden. In de States was al enige jaren een evolutie opwinkelgebied gaande, die mogelijk alsvoorbeeld kon dienen voor gelijksoortigeontwikkelingen in Europa. In haast elke stad waren de centra gestikt in het autoverkeer. Het parkeren stuitte op grote moeilijkheden. De aanvoer van goederen kampte met enorme problemen. Ontevreden bedrijfsvoerders en nogmeer ontevreden klanten. In het land van de onbegrensde mogelijkheden, ook het land waar in die tijd dikwijls stedenbouwkundige gedragsregels ontbraken of althans niet in voldoende mate voorhanden waren, waren er slimme lieden die met oplossingen kwamen aandragen.Men kocht goedkope grond aan de randvan een stedelijke bebouwing, al moetmen het begrip “rand” wel zeer ruim interpreteren, en bouwde daarop een winkelcentrum. De grote warenhuizen en dedetaillisten op en naast elkaar, vaak metoverdekte straten en pleinen. Het geheel omgeven door enorme parkeerterreinen. Maar wat vooral van groot belangwas: met goede aan en afvoerwegen.

Nieuwe kansen voor stadscentra

Hoewel het wezensvreemde elementen waren in de natuur hadden deze ontwikkelingentoch ook positieve kanten. Door de verstikkende werking van het autoverkeer in de stadscentra was een duidelijk waarneembare verpaupering ontstaan. De stedelijke overheden kregen weerbelangstelling voor de binnenstad. Het renovatieproces werd op gang gebrachten heel langzaam gaven al deze saneringen nieuwe kansen voor de stadscentra. Men heeft het inmiddels in ons eigen land ook kunnen zien. De verpauperingen verkrotting van de oude stadskernen is in veel steden van ons land de laatste jaren gevolgd door een uitgebreide sanering die nog lang niet voltooid is. Om inde buurt te blijven: Den Haag is een goed voorbeeld van verloedering, gevolgd door sanering. Ook hier valt te constateren dat een dergelijk proces moeilijk vanstart gaat en een lange levensloop heeft.

Mariahoeve

Aan de trip naar de VS namen naast mensen van de Landbank ook enkele Haagse wethouders en topambtenaren, vertegenwoordigers van het Grootwinkelbedrijfen Middenstandsorganisatiesdeel. De reis heen ging per vliegtuig, terug maakte men gebruik van de bootom tijdens de overtocht van gedachten te kunnen wisselen over hetgeen men in de States had waar genomen. Tijdens de boottocht kwamen enkele deelnemers (ik vermoed de vertegenwoordigers van het Grootwinkelbedrijfen de Middenstand) tot de conclusie dat het oprichten van een groot winkelcentrumin Mariahoeve een grote concurrent zou gaan worden voor de zaken in de binnenstad. Deze deelnemers waren van mening dat het project verkeerd was geprojecteerd en veel meer buitenwaarts gesitueerd zou moeten worden, hetgeen in feite neerkwam op een plaats buiten de grenzen van de gemeente Den Haag. De omstandigheid dat aan de zuidwest zijde van Den Haag inmiddels het winkelcentrum “De Boogaard” (ook door Zwolsman ontwikkeld) met succes draaide zal voor het gezelschap zeker aanleiding zijn geweest om als mogelijke vestigingsplaats aan Leidschendam te denken.

Leidschendam

Leidschendam was in die tijd begonnen aan een, voor een gemeente van een dergelijke omvang en grootte, stormachtige ontwikkeling. Het bestemmingsplan “Noord” was in uitvoering genomen. Plusminus 6.000 woningen verdeeld over 5 buurten rondom een nieuw centrumgebied zouden plaats gaan bieden aan 25.000 inwoners die voor het overgrote deel uit Den Haag afkomstig zouden zijn. Kort na de terugkeer van het gezelschap uit de Verenigde Staten vervoegde in mei 1961 de in Park Leeuwenbergh wonende bouwondernemer Dick Lucas zich bij de directeur Gemeentewerken. Dick’s broer Jan was de architect van Zwolsman voor Mariahoeve. Of zij met elkaar gesproken hebben over de gedachtewisselingen aan boord is niet bekend, maar Dick Lucas toonde plotseling grote belangstelling voor de ontwikkeling van een winkelcentrum in plan “Amstelwijk”, gelegen in het hart van de nieuwbouwwijk Leidschendam Noord. Het werkterrein van de firma Lucas was tot dan toe steeds Voorburg en Rijswijk geweest. Dat Lucas nu ook in Leidschendam wilde gaan bouwen was veelbetekenend. Lucas stond zeer gunstig aangeschreven. Hij bracht kwaliteit en architectonisch verantwoord werk. Redenen genoeg voor de directeur Gemeentewerken om burgemeester Banning uitvoerig te informeren.

Bestemmingsplan Laanzicht

Nog geen week later vroegen de heren dr. Luijkx en drs. Schelling van het Centraal Orgaan ter bevordering van de bouw van Middenstandsbedrijfspanden (C.O.M.) te Amsterdam – zij waren ook Amerikagangers – een onderhoud aan bij burgemeester Banning. Beide heren spuiden hun gedachten en ideeën overeen groot winkelcentrum te bouwen door de Middenstandsorganisaties en het Grootwinkelbedrijf, in omvang wellicht groter en beter dan “De Boogaard”. Na een uitvoerige uiteenzetting vroegen zij medewerking van het Gemeentebestuur tot vestiging van een regionaalwinkelcentrum in het plan “Laanzicht”, een bestemmingsplan voor bungalowbouwaan de westelijke zijde van het plan “Noord”. Daar had burgemeester Banning wel oren naar, want zoals zoveel van zijn collega’s keek hij toch wel met wat jaloerse blikken naar de Rijswijkse burgemeester Archibald Boogaers, die met weinig respect voor voorschriften en belemmeringen de provinciale en rijks autoriteiten dikwijls voor het blok zette en onverdroten doordramde naar een groot Rijswijk. Met succes had hij vaak woningcontingenten in de wacht gesleept en in niet mindere mate was de totstandkoming van het winkelcentrum aan zijn doorzettingsvermogente danken. Na dit bezoek van de heren van het C.O.M. presenteerde zich bij burgemeester Banning de heer R. Dreesmann die zijn sympathie betuigde met het door de heren Luijckxen Schelling gedane verzoek en de heer Banning tot voorzichtigheid maande bij de uitgifte van gronden voor de bungalowbouwin het plan “Laanzicht”.

1964. Gezicht op het terrein bestemd voor het groot winkelcentrum Leidschenhage (Leidsenhage) vanuit westelijke richting. Links flatwoningen aan de Schout van Eijklaan. Op de achtergrond is het dak van het Raadhuis zichtbaar. Bron: beeldbank Gemeentearchief Leidschendam-Voorburg

Samenwerking grootwinkelbedrijf en middenstandsorganisaties

Kort nadien werd op verzoek van de directie van het C.O.M. een bespreking gehouden in het Raadhuis. Daarbij waren de Middenstandsorganisaties vertegenwoordigd door de heren Luijckx en Schelling. Voorts waren aanwezig drs. (laterprof. dr. drs.) A. Dreesmann (zijn broer R.Dreesmann was inmiddels helaas overleden), twee heren Brenninkmeijer vergezeld door de bedrijfsjurist Mr. Rootink en een der directeuren van “De Bijenkorf”, ir. Rutgers. De heer Luijckx noemde deze conferentie van historische betekenis. Tot op die dag had zich nog nooit een Brenninkmeijer bij besprekingen of overleggetoond. Welke conclusie kon uit dit overleg getrokken worden? In ieder geval een positieve samenwerking tussen Grootwinkelbedrijf en de detailhandel, dat wil zeggen, de Middenstandsorganisaties. Er zou een stichting in het leven geroepen worden waar de beide laatstgenoemde organisaties deel van zouden uitmaken. De Nederlandse Middenstandsbank zou zorg dragen voor de financiering door middel van de Nederlandse Middenstand Financiering Maatschappij voor Bedrijfsobjecten NV, omdat de draagwijdte van een dergelijk project op dat moment moeilijk te schatten was. Architect Groosman te Rotterdam kreeg opdracht voor een principeontwerp. De stedenbouwkundige van degemeente prof. Ir. W. de Bruijn zou met Gemeentewerken gaan nadenken over de wijzigingen en consequenties voor het plan “Noord”.

Zwolsman 2

Maar Zwolsman zit niet stil! De tanende belangstelling van Anton Dreesmann voor Mariahoeve (“als ik op het dak van mijn warenhuis aan de Spuistraat sta zou ik met een hand mijn filiaal in Mariahoevekunnen pakken”, zei hij eens tijdens een van de talrijke besprekingen) en het werk binnenskamers voor het Leidschendamse winkelcentrum bleven bij ingewijden niet onopgemerkt. Zwolsman zag met lede ogen de plannen in Leidschendamhard worden. Zo vroeg hij om een onderhoud met burgemeester Banning. Zwolsman kwam met zijn, door de eigen chauffeur bestuurde, Bentley voorrijden. Hij werd vergezeld door dr. Ir. F.Bakker Schut, de vroegere directeur van de dienst Stadsontwikkeling van Den Haag maar inmiddels werkzaam bij de Landbank (Zwolsman) om deze met raad en daad ter zijde te staan. De burgemeester liet zich alleen vergezellen doorde directeur Gemeentewerken. Zwolsman preekte hel en verdoemenis over de Leidschendamse plannen en bezwoerde burgemeester dat een groot winkelcentrum de absolute doodsteek zou betekenen voor de plaatselijke middenstand in de Damlaan. Gelaten liet de heer Banning de woedeuitbarstingen van Zwolsman over zich heen gaan. Bakker Schut poogde nog door het aanvoeren van planologische aspecten en economische becijferingen het betoog van zijn baas te ondersteunen, maar de heer Banning bleef stoïcijns luisteren, gaf de beide heren te verstaan geen interesse te hebben voor dreigementen en liet blijken dat het gesprek hem gesterkt had op de ingeslagen weg voort te gaan.

Staart tussen de benen

Na het onderhoud nam de heer Banningde directeur Gemeentewerken mee naar de balkondeuren van het bordes van het Raadhuis. “ Daar gaat een machtig man met de staart tussen de benen”. Aldus de zich triomfator voelende Banning. Het was voor Zwolsman ook een trieste afgang nu hij bemerkt had dat een dorpsburgemeester niet wilde wijken voor een groot bouwondernemer die in Den Haag en omgeving vele vooraanstaande figuren naar zijn pijpen had laten dansen. (Vergeet niet dat in die tijd de verloedering van de badplaats Scheveningen was begonnen door volkomen misplaatste herzieningen, ingezet door Zwolsman c.s.). Er is in diezelfde periode ook nog een onderhoud geweest tussen Zwolsman en de voortrekkers, te weten de heren Dreesmann, Luijckx en Rootink. Zij waren door hem uitgenodigd op zijn buiten in Loosdrecht. Zij moesten geruime tijd antichambreren alvorens de heer Zwolsman te ontmoeten. Of Zwolsman de heren heeft willen afluisteren of door het lang laten wachten hen wilde vernederen is mij niet bekend. Wel stond vast dat Zwolsman uitstekend op de hoogte was van wat de heren onderling hadden besproken. Waren er toch verborgen microfoontjes? Wat er besproken is en in welke omvang laat zich raden, maar het resultaat was opnieuw voor Zwolsman negatief.

Uit: De Tijd–Maasbode 6 april 1963

Uitwerking plannen

Terwijl in Leidschendam de voorbereidingen voor de plannen door gaan en architect Groosman zijn ontwerpen uitwerkt, slaagt de gemeente erin enkele reeds verkochte of in optie gegeven kavels voor bungalowbouw ongedaan te maken. Een plaatselijke huisarts, dokter Uhl, had reeds een compleet plan ingeleverd en bouwvergunning aangevraagd. Voor alle “gedupeerden” werd een redelijk alternatief gevonden in het bestemmingsplan “de Zijde”.

Landscheidingsweg

Ook de Landscheidingsweg speelt een rol in de voorgenomen plannen. De aansluiting op die weg liep als een rode draad door alle besprekingen tussen de partijen. Voor een goede ontsluiting en het zakelijk gunstig functioneren van het geplande winkelcentrum was een directe aansluiting op het autosnelwegennet rondom Den Haag een directe noodzaak en van uitzonderlijk belang. Zo vindt op 31 juli 1961 het eerste overleg met Rijkswaterstaat plaats. Die dienst hoopte nog steeds op een spoedige aanleg van de omstreden weg. Het winkelcentrum vormde geen probleem voor Rijkswaterstaat. Integendeel, het verhoogde deargumentatie voor de aanleg van deze toegangspoort tot de agglomeratie.

Van dorp naar stad

Op 14 augustus 1961 komen alle partijen weer bij elkaar. Alle noodzakelijke wijzigingen in het plan “Noord” worden onder de loep genomen. Kritiek over en weer wordt niet gespaard. Voor Leidschendam betekent het ook een keiharde ingreep in de ontwikkelingen van de gemeente. Landelijk, nog een tikkeltje dorps en rustig. Kenmerken die rigoureus omver worden geworpen. Weliswaar betekende het plan “Noord” al een wezenlijke verandering van de structuur. Van dorps naar stedelijk randgebied. Dit alles werd versterkt door de vestiging van veel Hagenaars, waardoor de aard en mentaliteit van de inwoners steeds meer een “stads” karakter ging aannemen.

Te dicht bij ‘De Heuvel’

Het eerste schets ontwerp toont een plan dat veel te dicht bij de bebouwing van de nieuwe buurt “De Heuvel” ligt. De stedenbouwkundige ir. De Bruijn en de directeur Gemeentewerken verzetten zich fel tegen deze aantasting van het plan “Noord”. De afstand tot de flats aan de Schout van Eijklaan moet veel groter worden dan de hiervoor genoemde Stichting wil. Uiteindelijk wordt een compromis gevonden door het hele project in westelijke richting te verplaatsen. Dit gaat natuurlijk ten koste van het reeds gedeeltelijk aangelegde recreatiegebied, de groene bufferzone tussen de bebouwingen van Leidschendam en Voorburg. Overigens levert deze wijziging geen grote problemen op.

Haagse Courant 6 mei 1964

Damlaan

Burgemeester Banning wil de Leidschendamse middenstand niet in de steek laten en verlangt van de Stichting garantie dat de belangen van de plaatselijke middenstand worden gewaarborgd. DeStichting voldoet hieraan door dr. Luijckx definitief als adviseur aan de Stichting te verbinden. Men veronderstelt dat de belangen van de middenstanders van de Damlaan verzekerd zijn, maar al spoedig blijkt dat slechts enkele middenstanders aan de kwalitatieve eisen en voorwaarden tot vestiging in een groot regionaal centrum kunnen voldoen. Hoewel de Stichting al op 13 december 1961 officieel was geregistreerd, verschijnt pas op 31 januari 1962 in de landelijke en Haagse bladen een persbericht over de oprichting van de Stichting.

Aankoop gronden

Op 8 januari 1962 verzoekt de Stichting het gemeentebestuur alle kavels in het plan “Laanzicht” te mogen kopen ten behoeve van een regionaal winkelcentrum, nadat het bestemmingsplan is gewijzigd. De Stichting deelt voorts mee dat architect Groosman het plan zal ontwerpen en nauw zal overleggen met de directeur Gemeentewerken en de stedenbouwkundige ir. De Bruijn. Zij zal als waarborg 1/20 deel van de vast te stellen koopprijs betalen. Vroom & Dreesmann, de Bijenkorf, Hema en C&A delen mee dat zij filialen zullen vestigen, waarop door het gemeentebestuur wordt geantwoord dat de gronden voor de detailzaken eerst overgedragen zullen worden nadat het Grootwinkelbedrijf daadwerkelijk gestart is met bouwen

5,5 miljoen gulden

De koopsom wordt aan de hand van opgestelde exploitatieplannen, waarbij rekening gehouden moet worden met het gewijzigde karakter van het bestemmingsplan “Amstelwijk” (geen winkelfuncties meer) en de soesa met de reeds verkochte gronden in “Laanzicht” voorlopig vastgesteld op ruim 5,5 miljoen gulden, exclusief de uitvoering van het bouwrijp maken en het treffen van velerlei andere voorzieningen. Binnenskamers wordt dan intensief gewerkt aan de voorbereiding voor de uitvoering van de plannen. Zowel op technisch gebied als in de administratieve en de juridisch administratieve sector moet er heel wat arbeid verzet worden. Gedeputeerde Staten van Zuid Holland keuren het inmiddels door de gemeenteraad vastgestelde nieuwe bestemmingsplan “Laanzicht” op 26 november 1962 goed.

Mariahoeve 2

In Den Haag zijn de grote plannen voor een winkelcentrum in Mariahoeve drastisch gewijzigd. De Landbank (Zwolsman) heeft geconstateerd dat de Stichting in Leidschendam zich niet laat afschrikken. Blijkens krantenartikelen in maart 1963 laat de Haagse Middenstand duidelijk blijken “NEEN” te zeggen tegen de plannen in Mariahoeve. Op 6 april van datzelfde jaar verschijnt er in De Tijd/Maasbode een artikel waarin gesproken wordt over een machtige combinatie van V&D, Bijenkorf, C&A en de Middenstand die het op heeft durven nemen tegen de Landbank. In januari ’61 met veel tamtam aangekondigd, is er na twee jaar nog geen spa in de grond gezet, kan men in de Haagse bladen lezen. De onderhandelingen tussen de Landbank en de gemeente Den Haag over de verkoop van gronden in Mariahoeve verlopen uiterst moeizaam. Vraagprijs en tegenbod liggen miljoenen uit elkaar. Ondanks al deze tegenwerkingen wil de Landbank toch zijn plannen doorzetten. Maar Dreesmann zegt: “Wij komen niet, alleen als kleine vestiging in een wijkcentrum”.

Opening van het eerste gedeelte van winkelcentrum Leidschenhage (Leidsenhage) door burgemeester Kolfschoten op 23 september 1971. Bron: beeldbank Gemeentearchief Leidschendam-Voorburg

Economische dwaasheden

In dezelfde periode brengt ir. Bakker Schut in een lezing in het Groothandelsgebouw in Rotterdam voor een vergadering van stedenbouwkundigen naarvoren dat “anders dan in de Verenigde Staten geeft hier de stedenbouwkundige planning van de overheid een zo goed mogelijke garantie dat economische dwaasheden als concurrerende centra dicht bij elkaar zullen worden vermeden.” Gelet op de snelle goedkeurende beslissing van Gedeputeerde Staten op het gewijzigde bestemmingsplan Laanzicht werkte deze opmerking van Bakker Schut (in wezen dus de tegenpartij) in positieve zin voor de Leidschendamse plannen.

Plannen openbaar

Op 19 maart 1963 wordt een persconferentie gehouden. Hierbij wordt gemeld dat men met het naar buiten treden van de Stichting wilde wachten tot het gehele plan doordacht en voldragen was en de zekerheid bestond voor een adequate behandeling van de middenstandsbedrijven. Optreden naar buiten zou ook niet eerder plaats hebben dan nadat men volledig overeenstemming over de kostprijs van de grond had bereikt en er de zekerheid was dat de visie van de Stichting op de planologische aspecten voor het winkelcentrum (plaats en omvang in het noordoostelijk deel van de Haagse agglomeratie) juist was. Binnenskamers volgt dan nog een periode van onderhandelen over de juiste grootte van het terrein, over het aantal parkeerplaatsen, over de straatverlichting en over velerlei details die op zichzelf wel belangrijk zijn, maar de uitvoering niet belemmeren.

Gemeenteraad akkoord met verkoop

Op 18 december 1963 besluit de Raad tot verkoop over te gaan. In betrekkelijk korte tijd is voor de gemeente Leidschendam een zeer belangrijke beslissing genomen, die het dorp wezenlijk in zijn gehele structuur zal gaan veranderen. In de raadsvergadering spreekt het raadslid P.C. Boone zijn bijzondere waardering uit voor burgemeester Banning. Geheel terecht, want Banning was de stimulerende factor achter het hele gebeuren. “Meer manager dan magistraat”, aldusde heer Boone. Zijn inzicht, diplomatieke gaven en bestuurlijke kwaliteiten en nimmer aflatend enthousiasme voor zijn winkelcentrum in zijn gemeente maakte een droom werkelijkheid.

Verkeer en tram

De gemeente trekt een verkeersdeskundige aan, ir. H. Goudappel uit Delft. De socioloog drs. Haverda krijgt opdracht een sociologisch rapport samen te stellen, hetgeen van groot belang wordt geacht voor de verdere ontwikkeling van de gemeente. Ir. Goudappel ontwerpt een verkeersstructuurplan. De rapporten en onderzoekingen van beide deskundigen hebben weer invloed niet alleen op de gedachten over de ontwikkeling van de gehele gemeente, maar ook over de structuur van het winkelcentrum.

Wijzigingen in de opzet van het centrum en naaste omgeving doen zich herhaaldelijk voor. De HTM wil tramlijn 6 doortrekken naar Leidschendam. Aan de noodwestzijde van de Heuvelweg waren parkeerterreinen voor het winkelcentrum geprojecteerd. Er wordt grondgeruild, zodat nu alle parkeerterreinen rondom het centrum liggen. De tram rijdt tussen de dubbelbanige Heuvelweg. Een belangrijke verbetering.

Leidsenhage

Inmiddels is het 1966 geworden, bijna 5 jaar na de eerste gedachten over het winkelcentrum Leidschendam. Belangrijke gebeurtenissen vragen lange voorbereidingstijden. Zowel voor architecten als voor de dienst Gemeentewerken die de civieltechnische werken voor zijn rekening neemt, als de juridische en administratieve verwikkelingen die de gemeentesecretarie veel hoofdbrekens kosten, breekt dan een tijd aan van studeren, ontwerpen, berekenen en voorbereiden voor uitvoeren. Op 21 november 1969 is de officiële start van de bouwwerken voor het winkelcentrum. De officiële opening van de eerste fase van uitvoering vindt plaats op 23 september 1971. Het winkelcentrum krijgt de naam Leidsenhage.”

1966. Informatiebord start bouw winkelcentrum Leidschenhage (Leidsenhage). Links de Laanzichtweg (Burgemeester Banninglaan), gezien naar de Van Ruysdaellaan Bron: beeldbank Gemeentearchief Leidschendam-Voorburg

Peter Neukirchen


terug naar overzicht

Laatste publicatie

Erf Goed Nieuws
mei 2018, jaargang 26, nummer 1

Erf Goed Nieuws mei 2018

Erf Goed Nieuws mei 2018

Lees verder Alle publicaties