Vereniging Erfgoed Leidschendam

Postbus 3027
2260 DA  Leidschendam
info@erfgoedleidschendam.nl

Uitgave: Januari 2003

Zwaar van heupen, gezond van boezem

Zwaar van heupen, gezond van boezem

Als een der eersten beschreef de arts, onderzoeker, tekenaar, schrijver, dichter en politiek activist Johannes Le Francq van Berkhey (1729-1812) zo'n 200 jaar geleden o.m. het dagelijks leven in de regio rond 'Den Leijdse Dam'. Zijn Natuurlijke historie van Holland geeft  een goed beeld van het burgerlijke en  boerenleven in die tijd.

Tot aan de tweede helft van de 18-de eeuw was het leven in onze regio lang niet zo onplezierig als vaak wordt gedacht. In grote steden als Leiden, Delft en Den Haag woonde men weliswaar dicht op elkaar, maar wel temidden van vaak prachtige gebouwen en gevels. In de omliggende dorpen en op het platteland sjokte het leven in gemoedelijke rust voort. Ondanks deze gemoedelijke sfeer hing er iets in de lucht: de opkomende middenklasse verlangde naar modernisering en democratisering.
In het toenmalige Holland was de burgerlijke traditie nog dieper geworteld dan bijvoorbeeld in Frankrijk. Onze twee stadhouderloze tijdperken hadden de macht van de bourgeoisie bewezen. Sinds de Gouden Eeuw maakten in ons land de regenten de dienst uit, van wie sommigen van niet-aanzienlijke afkomst waren, maar kapitaal hadden verworven met de handel. Nu waren ze invloedrijk geworden en bezaten vaak buitenhuizen of bezittingen in de omliggende dorpen, en stonden adel en vorst hun in de weg. Ze verlangden naar een in het volk zelf wortelend regime, volgens de principes vrijheid, gelijkheid, broederschap; terwijl de aristocraten een regentendictatuur nastreefden. Beide partijen stonden lijnrecht tegenover elkaar, wat tot spanningen leidde. 

Johannes Le Francq van Berkhey, 1729-1812, Medicinae Doctor en schrijver van de Natuurljke Historie van Holland. ( gravure H.Potman/J. Houbracken, 1771)

De geest en ideeën van de Verlichting, die zich in die tijd langzaam vanuit Frankrijk over Europa verspreidden, kregen ook hier steeds meer vaste voet aan de grond. Hierdoor groeide in die tijd de wetenschappelijke belangstelling voor de manier van kleden, de zeden en de gebruiken van de lagere klassen. Keek men voordien nogal eens neer op de boeren- en burgerstand, nu kwam deze groep in het middelpunt van de belangstelling te staan.
Een van degenen die in die tijd hun kleding, gewoonten en gebruiken bestudeerden, was Johannes Le Francq van Berkhey (1729-1812).  Deze arts, natuuronderzoeker, tekenaar, schrijver, dichter en politiek activist, was een geboren en getogen Leidenaar. Door zijn houding was hij een omstreden man, wiens leven bestond uit een aaneenschakeling van conflicten en polemieken.
In 1774 had Berhey al een grote reputatie opgebouwd als arts en natuurvorser. Een jaar eerder was hij benoemd tot lector natuurhistorie aan de Leidse universiteit. Hij had dit lectorschap te danken aan zijn opus magnum Natuurlijke historie van Holland. De eerste zeven delen verschenen tussen 1769 en 1778, nadien zouden er meer volgen. Hierin beschreef hij zijn ervaringen, soms zeer gedetailleerd, met het 'volkseigene' van de inwoners van Holland. Hiermee gaf hij eigenlijk voor het eerst een goed beeld van het dagelijks leven van verschillende bevolksgroepen in die tijd. Bovendien inspireerde hij daarmee in latere perioden andere schrijvers de blik te richten op de interactie tussen de verschillende burgerklassen.
In zijn werk passeert ook Delf- en Rijnland (waarin o.m. de dorpen Soetermeer, Stompwijk, Veur en Voorburg) de revue. Binnen deze agglomeratie bevonden zich talrijke dorpen waarvan de inwoners zich bezighielden met land- en tuinbouw, veeteelt, visserij en andere ambachtelijke beroepen. Berkhey geeft ons een beeld van hoe onze voorouders in deze regio er ongeveer uitzagen. Over de boeren- en burgerstand (waaronder vee-, akker- en veenlieden) meldt hij het volgende:
'Van de Delflanders en vooral de Rijnlanders, vindt men de mannen gemeenlijk kloeker van gestalte en wel iets langer, dan die van het hoge gedeelte van Zuid-Holland, welke van middelbaar, dan eens ingemeen lang of kort zijn. Onder de bouw- en melkboeren is het vrij doorgaans, dat zij, hoewel ze brede en vaste schouders hebben, echter in evenredigheid niet zeer breed of rond van heupen, meestal schraal van kuiten en niet net van voeten zijn. Zij bewegen hunnen voeten gewoonlijk binnenwaarts, en hebben een stijven gang, met een rechte houding. De rug is meestal plat en houden  het hoofd zeer recht op. De handen laten zij veelal recht bij het lijf neerhangen, of ze steken deze in de voorbroek, kamizool of wambuis. In zulk gestalte ontmoet men ze dikwijls aan de kant van Delfland en Rijnland omgeving Leiden. Diegene van wat korte gestalte, hebben meestal een breed en vast lichaam, welgevormde benen, heupen en schouders, met een gezond bol gelaat, dat een bruinen opslag heeft, dan zij die tot de lange gestalte overhellen, vertonen zich meestal schraal en vaas van Tronie.
Er heerst onder alle inwoners van deze dorpen een zekere bijzonderheid, die grotendeels schijnt af te hangen van het beroep van zij uitoefenen. De molenaars, broodbakkers en grutters munten veelal uit in hun vlugge en nette gestalte. De meeste zijn rank van ledematen, rap en kittig op de benen en gezond en sterk. Hebben brede en vaste handen en in alles zeer net geregelde voeten. Ook is hun gang lustig en vlug. Snijders, die ongemeen veel op het platteland wonen en het werk van de naaisters waarnemen als zij van huis tot huis gaan arbeiden, zullen gelijk ook in steden de knieën in 't gaan merendeels buitenwaarts buigen. Ze schijnen veelal een gedrongen borst hebben, een natuurlijk gevolg van hun kruiswijze zitten met de benen en veelvuldig voorover bukken. Onder de arbeiders die met spade werken, zoals spitters, delvers, warmoeziers en vooral diegenen die in de venen werkzaam zijn, komt men mannen tegen van kloeke, middelmatige of korte gestalte. Ze zijn rond, doch breed van schouders en met een meer of min gebogen nek. Ook zal men opmerken dat ze in hunnen gang de rechter schouder merkelijk naar voren zwenken en zelfs de rechter heup voorzwaaien. Welke gewoonte voortkomt uit hun dagelijkse arbeid. Hun voeten staan zowel bij de mannen als de vrouwen zeer binnenwaarts, hetwelke is toe te schrijven aan het kruipen op de knieën, als zij het onkruid wieden. Men komt dit ook tegen bij degenen die hier en elders de aardappelen, het koren, de gerst, het haver en de bonenlanden van opkruit zuiveren. Men kan dus hier nagenoeg afleiden, wat een van de voornaamste reden is waarom velen boerenlieden niet zeer net van voeten zijn. Dit in tegen tot lieden die tot de categorie van schippergasten of vissers behoorden.

Een boer rustend na de arbeid, genietend van zijn pijp. Zijn dochter die de houten kuipen van de kaas en boter aan het schoonmaken is, in de achter de boerderij gelegen sloot. (Ned. Kleedingen, naar de natuur geteekend Bing & Breat van Ueberfeldt, 1850-1857)

Wat onze veenlieden verder aangaat, ofschoon ze niet werkzaam zijn binnen de Veenarbeid doch wel wonen in de veendorpen, deze mannen hebben meestal een rijzig, en sterke verschijning. Zij arbeiden in de zomer veelal in der hemd of een dun wambuisje en dat zij in tegenstelling tot andere meer landinwaarts gelegen dorpen, zij veelal zwaar haar op de borst hebben. Naar men vermoedt zijn deze ruigharigen nog verre afstammelingen van de Batavieren en de Cananifaten. Wat betreft de rosharigheid in het bijzonder, vindt men in heel Holland niet zoveel dan in de Veendorpen, in het hart van Rijnland en Delfland. Onze boeren en veenlieden zijn zeker niet vies van een frisse slok jenever, zij blijken hier beter ook tegen te kunnen dan bijvoorbeeld de lieden die werkzaam zijn in de potten - en steenbakkerijen als de kalkovens. Dit zou komen door het eten van gezonde spijzen en hun zware arbeid waardoor het lichaam verharde. Maar o wee als men zich overgeeft aan de overdaad van loggen en slappen dan zijn veelal de gevolgen nadelig. Lieden die zich aan deze drank verslaven, hebben een lome levenswijze en krijgen een schrale gestalte. De spieren krimpen als het ware in en de benen vertonen dan zogenaamde jeneverkuiten. Dit kan zelf overslaan op de kinderen die doorgaans dan onderdeurtjes zijn. Een bijzondere opmerkelijk voorkomen hebben tenslotte nog de touwspinners en die in de lijnbaan werken. Naast dat zij een gezonde en sterk indruk vertonen, hebben zij iets ruws over zich. Veelal dikke en knokige enkels, brede hielen en vaak zeer lange en platte voeten. 
Hetgeen over de mannen gezegd wordt, geldt ook enigszins voor de vrouwen. Buiten het kennelijk verschil in kleding, spraak en zeden, is het niet makkelijk om de vrouwen uit het Delf- en Rijnland gebied enige mate te onderschreiden naar dezelfde kloekheid of kortheid. Want schoon men onder de mannen dikwijls zeer lange gestaltes vindt, is dit nochtans zeldzamer bij de vrouwen. Men komt dit bij hoge uitzondering hier en daar wel eens tegen. De vrouwen zijn in verhouding kleiner dan de mannen en vaak veelal van gelijke lengte. Een Hollandse boerin uit deze streek is meer kort en dik dan lang en schraal. Zij is zeer sterk en zwaar van heupen en gezond van boezem. Veel doet hier toe dat ze de keurslijven ongemeen breed en ruim dragen. Waardoor zij noch de heupen met een al te grote engheid knellen en noch de boezem met ene platte borst prangen. Er zijn in deze streek geen vrouwen, die er meer acht op geven dan onze boerinnen. Zij zorgen degelijk voor de kracht en sterkte van het lichaam, dat ze zich weinig of niet kreunen aan de netheid van de keurslijven, of aan het verwijtende spreekwoord van ene vierkante Boerin te zijn. Op uiterlijkheden kan men ze vrijwel wel onderscheiden. Over het algemeen zijn de bouwboerinnen, die zich met boter maken en kaaswringen bezighouden de sterkste van onze landvrouwen en niet onderdoen voor een sterke man. Zij kunnen als het moet een grote melkemmer, boordevol met water gevuld, met de ene hand over het hoofd zwaaien, zonder een druppel te morsen, of zwaar geladen hooivork torsen, het laatste sterk manswerk is. Dit geeft aan haar gestalte een fier en wakker voorkomen. Te meer daar zij veelal zwaar van benen, dik van kuiten, grof van armen en naar gestel fris van kleur is.
Het andere soort boerenvrouwen dat in de dorpen woont en zich bezighoudt met winkelen of stillere beroepen, zoals die gehuwd zijn met grutters, molenaars, bakkers, timmerlieden, metselaars, snijders, herbergiers, die veel in huis zitten. Zij zijn vaak veel zwakker en hebben een logge voorkoming en zijn vaak valer van kleur.

Tekening van een Delflandsche boerin op weg naar het land om het vee te gaan melken, 19de eeuw. (naar S. van Biest)

De vrouwen in deze streek hebben als haarkleur van geel tot bruin overhellend, doch het merendeel is ligt blond, met bruine wenkbrauwen. En die zwart haar hebben zijn merendeels van een vermengde afkomst. Naast dat vrouwen met zwart in de minderheid waren, gold dit ook voor gekruld haar. Het grote getal van onze landlieden had dus steil/recht haar. De mannen droegen hun haar namelijk kort, vooral niet langer dan even op of aan den nek en op de kruin wordt het glad geknipt. Volgens algemeen gebruik in Delf en Rijnland, laten de vrouwen de achterste haarlokken wel uitgroeien, te samen vlechten en ze dan op de kruin tot ene tuit of kluit in een te rollen en deze voorts met banden en spelden vast te maken. Daarnaast  werden de lokken van het voorhoofd glad achterover gestreken, alles verdween daarna onder een mutsje. De wenkbrauwen volgen gemeenlijk de kleur van het haar, doch er zijn er velen die blond haar hebben en bruine wenkbrauwen. Ook vind men in de venen en elders nog al enige zogenaamde Viragines of mansselders, die min of meer van baard en snor voorzien zijn.
Wat aangaande de oogkleuren, zijn deze veelal zowel bij de mannen als vrouwen van een blauwe kleur, dit in tegenstelling tot de bruine die verre niet zo algemeen waren. De overige trekken van het gezicht verschillen niet veel met die van andere uit omliggende streken en gebieden. Hun hoofd is iets verheven van achterkruin, plat van voren en niet hoog van voorhoofd, doch zeer vlak aan de hoofdslagen. De oren liggen bijkans plat aan 't hoofd. Dit laatste wordt grotendeels veroorzaakt door de wijze van windelen en bakeren. Wat verder den mond, de lippen, benevens de wangen en gelaatstrekken aangaat, ze zijn in het gemeen niet gelijk als die van de hoge Zuid-Hollanders. Het gelaat heeft wederzijds langs de neus, een ernstige trek, de mond is veelal gesloten en weinig lachend. De kin is meer spits dan rond, inzonderheid bij de mannen. Verder vertoont zich de gehele opslag doorgaans stemming en nogal straffe en mannelijke, in het ernstige stoer, gram en boos, in 't vriendelijke gul en bedaard en in 't lachen onmatig.'

Geslachtsplaat van koeien, uit de Natuurlijke historie van het Rundvee in Holland begin 19e eeuw. Le Francq van Berkhey.

Detail van een prent met de Hollandse Vee opstelling, uit het 9de deel van de Natuurlijke Historie van het Rundvee in Holland, door Le Francq van Berkhey.

Na de reeks over het 'volkseigene' van Holland  zou vele jaren later op dit werk nog een vervolg komen in zes delen (1805-1811), getiteld Natuurlijke historie van het rundvee in Holland (1805-1811). In een Noodig berigt aan den lezer verklaart hij waarom het zo lang heeft geduurd voordat dit vervolg verscheen. De rampspoed van het land (Bataafse revolutie en Franse overheersing), bestaande uit oorlog en tweedracht, had de boekverkopers huiverig gemaakt om grote en dure werken uit te brengen. Desondanks wist hij een uitgever te vinden om dit zeer uitvoerige standaardwerk over het rundvee in Holland met afbeeldingen te laten uitgeven (  afb. 4.  geslacht-plaat). Voor het eerst werd in die tijd op zeer gedetailleerde wijze het 'hebben en houwen' van het boerenbedrijf uit de doeken gedaan.
Met name in het negende deel wordt hieraan ruimschoots aandacht besteed. Naast het rundvee en het opzetten van een boerderij/woning en veestal, met de indelingen van het gebouw, beschrijft hij hoe men het hooi en het grasland moet onderhouden, de soorten onkruid, en de wijze van bemesting. Ook schetst hij de verschillende type's hooibergen en toebehoren, bemestingskarren, gereedschappen, de stalling van het rundvee zowel op stal als in het land, en het melkkarnen, botermaken en kaasmaken met alle toen in gebruik zijnde werktuigen. Aan de hand van deze beschrijvingen en de afbeeldingen krijgen we een goed beeld van het boerenbedrijf in het Veur en Stompwijk van zo'n tweehonderd jaar geleden. Sommige gereedschappen hebben nog lang dienst gedaan tot ver in de 20-ste eeuw en worden soms nog steeds gebruikt. Het zou te ver voeren hier alle beschrijvingen als verhandelingen van Berkhey op te sommen. Dat zou afbreuk doen aan de eigenlijke versie uit begin 19-de eeuw. We volstaan hier dan ook met het afdrukken van enkele voorbeelden/afbeeldingen.

Rolf van der Krogt

Detail van een prent met het hooiharken en oprooken van het hooi, uit het 9de deel van de Natuurlijke Historie van het Rundvee in Holland, door Le Francq van Berkhey.

Detail van een prent omtrent het melkromen op de boerderij, uit het 9de deel van de Natuurlijke Historie van het Rundvee in Holland, door Le Francq van Berkhey.

Detail van een prent omtrent het bemesten van het land, uit het 9de deel van de Natuurlijke Historie van het Rundvee in Holland, door Le Francq van Berkhey.

 


terug naar overzicht

Laatste publicatie

Erf Goed Nieuws
mei 2018, jaargang 26, nummer 1

Erf Goed Nieuws mei 2018

Erf Goed Nieuws mei 2018

Lees verder Alle publicaties