Vereniging Erfgoed Leidschendam

Postbus 3027
2260 DA  Leidschendam
info@erfgoedleidschendam.nl

Uitgave: Januari 1998

Twee Haagse mensen in Stompwijk

Twee Haagse mensen in Stompwijk

Op een mooie zomeravond in 1948 maakten mijn vader en ik een fietstocht van de Haagse Noordwal naar Voorschoten. Bij De Knip, niet ver van speeltuin De Gouden Leeuw, staken we met het pontje de Vliet over. Langs het brede water ging het terug naar huis. Mijn vader zag links de diepe polder en zei: 'Daar ergens moet nog een oom van me wonen.' Als 13-jarige vroeg je toen niets. Ik was veel te blij met mijn gemoffelde fiets, op luchtbanden.

Ruim 40 jaar later, in 1991, hoorde ik bij toeval over een familielid dat in Stompwijk gewoond zou hebben: Albertus Beijersbergen.
Hij had vier broers van wie ik evenmin iets wist. Wel kende ik Tante Toos. Die deftige dame bleek hun zus. Eerste kerstdag gingen we er altijd op visite. Haar kon ik niets meer vragen. Mijn vader ook niet. Zijn jongere broer vertelde het: oom had ongehuwd met een vrouw geleefd met wie hij niet gehuwd was.
Een joodse vrouw. Een jodin.

'Jeruzalem'
Albertus Beijersbergen wordt geboren in 1889 en groeit op aan de Nieuwe Haven, waar nu het Haagse stadhuis-kwartier is. Vanaf 1930 woont hij in Stompwijk. Eerst als eierboer, dan als voddenman en opkoper. De Haagse Maria Cohen is vanaf 1934 zijn 'inwonende huishoudster', al laat de kleine woning die plechtige aanduiding nauwelijks toe. Op een mooie zomeravond fietst Beijersbergen door de polder, 'Jeruzalem' zingend. In een leunstoel zit tante Maria, voorop de transportfiets.

Alles verandert na 10 mei 1940. Meer dan 100.000 joodse mensen worden hun grondrechten ontnomen. Ook de enige joodse inwoner van het katholieke Stompwijk.
Ze werd opgeroepen voor de 'arbeidsverruiming'. Oom Beijersbergen bracht haar naar het politiebureau van Leidschendam, in zijn bakfiets. Want het was een uur lopen.
In Auschwitz wordt Maria Cohen vermoord, 'meteen na aankomst', 26 augustus 1943.
Bij de jaarlijkse Bevrijdingsfeesten zingt Albertus zijn Italiaanse opera-liederen tijdens de Venetiaanse gondeltocht door de Stompwijkse vaart. Zondags klinkt zijn 'Ave Maria' achter in de Laurentiuskerk. In 1953 belandt Beijersbergen doodziek in het bejaardenhuis Mariënpark. De gemeentelijke reinigingsdienst ontruimt zijn huisje, met de marmeren pendule en het zilverwerk van Maria Cohen.
Daarna vinden we de inmiddels 65-jarige oom terug in gasthuis Charitas te Steenbergen, later in het r.k. Bestedelingenhuis te Nijmegen.
Vervolgens woont hij 9 jaren bij de Haagse Schouw, met de invalide weduwe Antje Oudshooorn-Alblas. Na haar overlijden barricadeert Beijersbergen de deur. Hij sterft in 1965 in het Scheveningse 'Strangeduin'.
Daarmee eindigt een lang verzwegen familiegeschiedenis.

'Onwettig samenwonen'

Vanaf 31 juli 1930 woont de 41-jarige Albertus aan de Stompwijkseweg 39, naast boerderij Scheria. Waarom daar? Oom Harry, broer van mijn vader, legde het verband met eertijdse varkensleveranties aan de Nieuwe Haven. Dit vermoeden werd in 1995 bevestigd door de gebroeders Van der Kroft, van de Kniplaan.
Hun vader had de imposante oude Beijersbergen nog meegemaakt, wanneer hij in Stompwijk naar zijn varkens kwam kijken.
Er was vanouds veel contact tussen Stompwijk en Den Haag. Boeren liepen er met hun koeien naar toe. Varkens gingen met de schuit.
Rechts naast de boerderij Scheria, in 1904 herbouwd, stond een kleine houten daglonerswoning. Ervoor een prachtige kastanjeboom, weerspiegeld in het water. Een smalle draaibrug, twee loopplanken breed, met witgeverfde leuning. In het linkerdeel woonde in 1937 het gezin van Anton Knijnenburg. Rechts Albertus Beijersbergen.
Mijn oom Harry deed als zestienjarige iets wat niet mocht en wat zijn oudere broer, mijn vader, niet durfde. Hij fietste in de zomervakantie langs oom Bert in Stompwijk. In die dagen werden daar geen handen geschud.
Daarom had Harry nooit de voor- of achternaam gehoord van de aardige vrouw die in dat kleine huisje inwoonde.
Waarschijnlijk is oom Albertus er in 1930 niet meteen als spullenbaas begonnen. Kennelijk had hij er genoeg van om nog langer als fabrieksslachter te werken, na Den Haag-Laakhaven, na Oss en Borculo. Hij wilde kennelijk iets anders. Maar wat? In ieder geval niet meer in loondienst en niet in de stad. Hij hoef de ook niet elke dag zijn brood te verdienen, want er was een geheim, klein kapitaaltje achter de hand, van zijn erfenis. Volgens schaarse gegevens uit de mondelinge overlevering werd hij, begin jaren dertig in Den Haag nog 'de eierboer' genoemd. Mogelijk hield hij in Stompwijk kippen, of kocht hij eieren op de veiling in 'Het Blesse Paard'.
Hoe sprak Beijersbergen's geweten, wanneer in het stille Stompwijk de kerkklok luidde? Iemand die vrouw en kind in de steek had gelaten, leefde in zware zonde. Het sacrament was eeuwig en onverbrekelijk, daar veranderde de burgerlijke echtscheiding niets aan. Die was immers niet geldig. Nu leefde Albertus bovendien in concubinaat. En nog wel met een jodin.
Vanaf 10 september 1934 woont de Haagse Maria Cohen bij hem, als 'inwonend huishoudster'. Zo stond zij op het Stadhuis ingeschreven. Anders waren Maria en Albertus niet alleen kerkelijk doch ook burgerlijk strafbaar, vanwege 'onwettig samenwonen'.

'Ambulant koopman'

Hoe hadden ze elkaar leren kennen? Van huis en parochie uit gingen roomsen niet met joden om. Dat zij 'de voordeur gingen delen' moet een forse stap geweest zijn. Zij heette dan wel 'huishoudster', maar iedereen wist beter.
Albertus werd van 'eierboer' langzaamaan 'ambulant koopman in ongeregelde goederen'.
Stompwijk kende geen warenhuis, terwijl er in die magere jaren dertig behoefte was aan Haagse afdankertjes: jassen, schoenen, klompen, gereedschap, hoeden, petten, schaatsen, huisgerei, kinderwagens. Maria ging in de bakfiets mee naar Den Haag, ook om haar familieleden te zien. Het dorp aan de vaart lag vanuit Den Haag verder weg, dan Den Haag vanuit Stompwijk gezien.
Hoe kwam Maria Cohen tot haar beslissing om Albertus' huisgenoot en partner te worden? Waarom ging zij weg uit Den Haag? Kende zij het roomse Stompwijk? Waarom trok zij op haar 44-ste bij de oud-slachter in? Waar en hoe hadden zij elkaar, afkomstig uit gescheiden werelden, leren kennen?
Zomer 1997 doorzocht ik in het Haags Gemeente-archief de dossiers van het kadaster. Maria Cohen was  afkomstig  uit de Koninginnestraat, nummer 120, het laatste huis links, vlakbij de Parallelweg aan de spoorlijn. In 1931 is plotseling te lezen: 'eigenaar Koninginnestraat 120, huis+erf, groot 1.10: Albertus, Cornelis, Marie Beijersbergen, slager, Stompwijkseweg 21, Stompwijk.' Maria Cohen had verkering gekregen met de huisbaas van haar moeder! Van zijn erfenis had Albertus, teruggekeerd uit Oss en Borculo, een huisje gekocht. Daar kwam hij wekelijks de huur ophalen, twee gulden of een rijksdaalder.
Maria Cohen was een van de 12 kinderen van kleermaker Mozes Cohen (1859-1926) en Grietje Cosman (1862-1933). Maria's grootouders van vaders kant kwamen uit Rijnsburg en Noordwijk. Vanaf 1873 woonden deze Cohens in de Haagse jodenbuurt: Gedempte Gracht 13, Bierstraat 29, Bezemstraat Ib.
De grootouders Cosman, van moeder's kant, waren al langer bewoners van de Gedempte Gracht 24, Sint Jacobstraat 77. Maria's moeder had twee zussen, Floortje en Saartje, en twee broers: Arend en Levy. Via haar vader had zij drie ooms: Joseph, Elias, Benjamin en tante Sara.
Kleermaker Mozes Cohen woont eerst aan de Beestenmarkt 74. Dan, vanaf l januari 1895, in de gloednieuwe Koninginnestraat, aan het einde van Den Haag. Vlakbij komen de stoomtreinen voorbij en de stoomtram naar Scheveningen, nu tramlijn 11. Daar, tussen Parallelweg en Hoefkade, groeit Maria op, met haar 8 broertjes en 4 zusjes. Zij woont er tot aan haar 26e, als oudste en als rechterhand van haar moeder.

Naar Amerika

Op 29 november 1913, op haar 26-ste, vertrekt Maria Cohen naar 'de Nieuwe Wereld'. Vanuit Rotterdam voer ze met de Holland Amerika Lijn naar Amerika. Ze gaat in de Verenigde Staten wonen in de industriestad Springfield, Massachusetts, waar de rode Indian-motorfietsen werden gemaakt. Wellicht ging ze met iemand mee, want in je eentje begon je niet aan zo'n landverhuizing. Dat was in Maria's Haagse familie niet gebruikelijk.
Het moet een moeilijk afscheid zijn geweest van en voor haar 54-jarige vader, haar 51-jarige moeder, haar oma Sara Cosman, 87 jaar oud, en haar elf broers en zussen. Nu ging ze haar eigen weg. Het was in die tijd gebruikelijk, als meisje, voor je huishoudelijke 'uitzet' te sparen, als dat mogelijk was. Is met dat geld het kostbare passage-biljet betaald, bij reisbureau Lissone aan de Haagse Groenmarkt, tegenover Het Gouden Hoofd?
Wie stonden er op de kade om uit te zwaaien, toen de zware scheepsmachines begonnen te trillen en de scheepshoorn loeide? Het zeekasteel raakte los en Maria dreef langzaam van Holland weg.
Het tussendek was voor de landverhuizers. Niet alleen Nederlanders, ook honderden Midden- en Oost-Europese joden die genoeg hadden van de minachting en vernedering die ze al zo lang in Polen of Rusland moesten ondervinden. Deze lange, zware reis zou de redding worden van henzelf en van hun kinderen, maar dat wist niemand.
Na twee weken oceaan komt er eindelijk land in zicht. Vuurpijlen worden de lucht in geschoten. Dan het Vrijheidsbeeld. Gedrang op het tussendek, gesjouw met tassen en zakken, geduw, geschreeuw, huilende kinderen. Mannen in witte uniformen, met petten op.
Heeft Maria Cohen in de industriestad Springfield wapens helpen maken voor de bevrijding van Europa? Hoeveel geld wist ze over te houden voor de moeilijke jaren daarna? Als Maria's vader in 1926 sterft, is ze 39 jaar. Eind 1929 begint de grote economische en sociale crisis. Alleen Amerika telt 12 miljoen werklozen, zonder enige bescherming.
Op het Haagse stadhuis had Maria in 1913 netjes aangegeven waar ze heen ging. Is ze vanuit Springfield wellicht verhuisd? Wat we weten is dat haar jongere broer Simon, op 20-jarige leeftijd, naar Cleveland, Ohio, emigreert, in 1920. Als bankbediende. Hebben ze elkaar kunnen opzoeken?
Volgens het Haagse bevolkingsregister komt Maria na twintig jaar terug, in 1933; ze is dan 46 jaar oud. Twee maanden na Maria's terugkeer overlijdt moeder Grietje Cosman. Was moeder al langer ziek en wist haar oudste dochter dat?
Terug in Den Haag woont Maria Cohen aan de Hoefkade 1568, helemaal achteraan, waar de stedelijke bebouwing ophield. In de Hamerstraat, nummer l, is ze huishoudster bij diamantklover Wijnschenk. Dan verhuist Maria in 1934 naar de Francois Valentijnstraat 73. Pensionhoudster is de 66-jarige weduwe Maria van der Meer-Goppinger. Vanuit dit Bezuidenhoutse adres is Maria te Stompwijk ingetrokken bij  de 45-jarige Albenus Beijersbergen, slager, eierboer, huisbaas van Koninginnestraat 120.

Burgemeester Banning

In het huisje rechts naast boerderij Scheria, Beijersbergens vroegere adres, waar nu het huis 'Klein Scheria' staat, mocht ik in 1991 een gesprek voeren met de 75-jarige mevrouw Van Santen-Arkestijn. Zij kwam in 1940 op Scheria wonen, een familiebedrijf. Beijersbergen's huishoudster Marietje herinnerde zij zich nog heel goed. Ze hadden het arm en er kwam nooit iemand. In de oorlog droeg ze de gele ster op haar zwarte jurk, ook als ze bij Albertus in de bakfiets zat. 'Doe dat ding toch af', had buurvrouw Van Santen-Arkestijn zo vaak gezegd en waarschijnlijk met enige nijdige nadruk, want die hoor ik 50 jaar later nog.
Hoe waren die vervloekte sterren in de verre Stompwijkse polder gekomen?
Op 30 april 1942 stuurt de Joodse Raad te Amsterdam een expresse-brief naar burgemeester H. A. C. Banning van Leidschendam-Stompwijk. We zien, bij wijze van spreken, de haastige postbesteller de trappen van het mooie, nieuwe raadhuis opklimmen en de speciale zending aan de bode afgeven. Belangrijk! Spoed! De bode verlaat zijn kantoortje en draagt het bijzondere postpakket naar de kamer van de gemeente-secretaris.
Burgemeester Banning wordt gevraagd een ingezetene aan te wijzen die zich met de uitreiking van de sterren zou belasten. Met die taak werd Benedictus Bak belast, geboren 1909, winkelier in vleeswaren aan de Nieuwe Laan 21 in Leidschendam. Maar hoe wist de burgervader wie er joods waren? En hoe zou slager Bak dit moeten weten? Zeer velen waren geassimileerd, Bak zelf ook.
Vanaf 1941 moest iedereen een persoonsbewijs dragen. Op het gemeentehuis was een grote zwarte J gestempeld bij ieder die ooit 'Ned. Isr. Kerkgenootschap' achter zijn of haar naam had staan. Ook als men daar geen lid van was.
Slager Bak moet van de burgemeester, c.q. diens ambtenaar, niet alleen de sterren doch ook een lijst met joodse inwoners hebben gekregen. Tot in het verre Stompwijk toe. En op de avond van de eerste mei 1942, na zijn werk, is hij op de fiets gestapt. Hij reed langs de drie molens naar het kleine groene huisje naast Scheria. Een fietsenrek was er niet. Hij heeft zijn tweewieler langs de vaart in het gras gelegd en is over de witte, twee planken brede 'draai' naar het rechterdeel van de daggelderswoning gegaan. Als het particuliere bruggetje, waarvan er in Stompwijk wel honderd waren, open stond heeft hij net zo lang geroepen, tot hij werd gehoord. Hij kwam immers iets belangrijks 'uitreiken', namens de burgemeester.
Burgemeester Banning ondertekent op 26 juni 1942 ook een lijst van bij joodse mensen 'gevorderde' fietsen. Maria Cohen staat er niet op. Ze had geen fiets.
Daarna volgden de ontwikkelingen rond de 26 joodse inwoners van Leidschendam elkaar snel op. Hoewel, sommigen ging het niet snel genoeg.  In  het  gemeente-archief van Leidschendam bevindt zich een brief van een ongeduldige Leidschendammer, gedateerd 9 december 1942, die zich afvraagt 'Waarom zijn die Joden nog steeds niet opgepakt?' Wie joodse mensen bij de politie aanmeldde, kreeg f 7,50 'vanggeld' voor elke persoon, ook als het een pasgeboren baby betrof.
Benedictus Bak, oorspronkelijk afkomstig uit Den Haag, zou in 1944 in Auschwitz worden vermoord. Baby Joel Bak, in Westerbork geboren, was dat zijn zoon? Joel Bak werd op 28 januari 1944 in Auschwitz van het leven beroofd, 26 dagen oud.

'Vertrokken Onbekend Waarheen'
Eind 1942 kreeg Maria Cohen de oproep voor Westerbork.
Mevrouw Van Santen-Arkestijn vertelde, dat Albertus niet wilde dat Marietje van Stompwijk naar Leidschendam zou lopen. Daarom heeft hij haar op 18 december 1942 naar de politie van Leidschendam gereden, in zijn bakfiets. Maria Cohen was toen 55 jaar oud.
In het bevolkingsregister staat op Maria's persoonskaart: '18 december 1942 V.O.W.' Dat betekent: "Vertrokken Onbekend Waarheen".
Ook dat klopt weer niet. De dienstdoende ambtenaar wist beter. Hij was op de hoogte waar Maria Cohen heenging. 'V.O.W: het paste precies bij de Duitse bedoeling dat alle joodse mensen zo geruisloos mogelijk zouden verdwijnen; spoorloos en voorgoed.
Burgemeester Banning zet tien dagen later opnieuw zijn handtekening. Het is dan 28 december 1942, na het Kerstfeest en vlak voor Oudjaarsavond. Hij signeert de lijst van joodse inwoners uit Leidschendam-Stompwijk die 'afgevoerd' zijn uit het bevolkingsregister en waarvan de distributiebescheiden door het gemeentebestuur zijn 'ingenomen'. Onder hen de familie Bak en Maria Cohen, tezamen 26 mensen.
Nog voor het Nieuwjaarsfeest van 1943 is in Leidschendam-Stompwijk 'het Joodse vraagstuk' opgelost.

In het Leidschendamse gemeentelijke voorlichtingsboekje van 1995, 'Dodenherdenking in Leidschendam 4 mei', is wel aandacht voor de 10 militairen die in de oorlog sneuvelden.
Geen woord echter over het droeve lot van burgergetroffenen, over de uitgelaten Stompwijker die op Dolle Dinsdag werd doodgeschoten, over omgekomen verzetsmensen.
Geen woord over de 26 weerloze joodse inwoners, onder wie Maria Cohen.

Quirinus van der Meer


terug naar overzicht

Laatste publicatie

Erfgoed Nieuws december 2019
december 2019, jaargang 27, nummer 2

Erf Goed Nieuws december  2019

Erf Goed Nieuws december 2019

Lees verder Alle publicaties