Vereniging Erfgoed Leidschendam

Postbus 3027
2260 DA  Leidschendam
info@erfgoedleidschendam.nl

Uitgave: Januari 1995

Leidschendam en het toerisme in de 19e eeuw

Leidschendam en het toerisme in de 19e eeuw

In een eerdere uitgave van ons blad (2e jaargang, nr. l) namen wij een gedeelte op uit een 18c eeuwse reisbeschrijving van Leidschendam. Ook uit de 19e eeuw zijn dergelijke reisnotities bekend.

Zo reisde een zekere H. Potter door een groot deel van Zuid-Holland en noteerde wat hij op zijn tochten waarnam. Naar aanleiding van een reis per trekschuit van Leiden naar Den Haag, omstreeks 1807, schrijft hij over Leidschendam:
"Onder zulk eene gestadige afwisseling van voortreffelijke gezigten, komt men aan de Leydschendam, alwaar men uit de eene schuit in de andere overgaat. (Men moest bij de sluizen overstappen op een andere trekschuit). Uitstekend, luchtig en vrolijk is de ligging dezer plaats: fraai verheft zich de ronde koepelkerk boven de deftige huizen die alle een voorkomen van welgesteldheid hebben, en geen wonder, de ligging op zulk een kleinen afstand van en tusschen twee aanzienlijke plaatsen als Leyden en Den Haag, de menigvuldigen doortogt, terwijl het in de schone zomer- en wintermaanden niet weinig als eene plaats van uitspanning  en  verlustiging  bezocht wordt, vooral door de Hagenaars, die in hunne vertering op geen kleintje zien, veroorzaken hier eene grote levendigheid en drukte, waarvan de voordeden zich min ofmeer over het gehcele dorp verspreiden. Van hier ook zulk een groot aantal en zulke verbazend groote Logementen, die dikwijls nog niet ruim genoeg zijn, om de ontelbare menigte vrolijke gasten te bevatten.
De kerk, juist openstaande, trad ik dezelve binnen, doch vond, behalve een nette zindelijke inrigting, niets der bijzondere aandacht of opmerking waardig. . (Inderdaad, was er weinig te vermelden, want de vijf fraaie gebrandschilderde ramen waren op last van de plaatselijke overheid in 1795 uit de kerk verwijderd).
Voor het overige, hoe aangenaam voor velen, deze Leydschendam ook zijn moge, voor mij heeft deze levendige, altijd woelige en geheel boomloze plaats weinig of niets aantrekkelijks: het geheel heeft er mij te zeer een stedelijk aanzien, de schoone en eenvoudige natuur is er als verbannen en het vermoeide oog heeft niets dan gebouwen, water en een rusteloos gevoel van gaanden en komenden, waarop het rusten kan. Verre van hier blijve mijn woonplaats verwijderd.
Men draagt hier zorg de Reiziger geen honger te laten lijden.want het zij hij al, of niet eene herberg verkiest te gaan, dan wordt hem toch bij de schuit gerooste (geroosterde) paling en een zeker soort van broodjes te koop aangeboden: de laatsten vooral zien er door hunnen geele kleur smakelijk uit, doch of zij bij het gebruik zoo goed voldoen, is mij bij ondervinding niet gebleken".

Potter vervolgt zijn reis richting Voorburg en gaat verder met:
"Nu bevindt men zich vervolgens weldra in een aaneengeschakelde rel van buitenplaatsen die als het ware de eene na de andere verdringen en in pracht en rijkheid de loef afsteken, het eene sierlijke lusthuis stoot hier tegen het andere, zoodat zij somtijds wel eens door een enkele haag of smalle sloot zijn van elkander gescheiden".
Tot zover deze reisbeschrijving, waaruit duidelijk blijkt dat Potter het, zoals hij het noemt, "stedelijke" Leidschendam bepaald niet zijn voorkeur heeft. Het grote aantal buitenplaatsen langs de Vliet maakt echter veel indruk op hem. Honderdvijftig jaar later is van deze luister nauwelijks meer iets over dan een aantal restanten. Aan ons de taak deze laatste overblijfsels van 18e en 19e eeuwse buitenverblijven voor het nageslacht in stand te houden.

J.D. de Kon


Terug naar overzicht

Laatste publicatie

Erf Goed Nieuws mei 2021
mei 2021, jaargang 29, nummer 1

Erf Goed Nieuws mei 2021

Erf Goed Nieuws mei 2021

Lees verder Alle publicaties