Vereniging Erfgoed Leidschendam

Postbus 3027
2260 DA  Leidschendam
info@erfgoedleidschendam.nl

Uitgave: Januari 1995

Onderwijs aan de Leidschendam

Onderwijs aan de Leidschendam

De noodzaak van onderwijs aan de kinderen, was al vóór de reformatie onderkend. Daarom waren er niet alleen in de steden, maar ook in vele dorpen schooltjes waar de kinderen de catechismus en enkele gebeden leerden, maar ook in lezen werden onderwezen. Aan schrijven zullen de meeste leerlingen niet zijn toegekomen om van rekenen maar niet te spreken.

Deze scholen, die eigenlijk in dienst stonden van de kerk, werden echter voornamelijk bezocht door kinderen van ouders die het schoolgeld konden betalen. Daarin zou de reformatie verandering brengen. Met andere gebeden en een andere catechismus bleef het onderwijs een instrument van de kerk, maar naast lezen stond schrijven en soms ook rekenen op het rooster. Het voornaamste verschil met vroeger bestond hierin, dat niet alleen de rijke- maar ook de arme kinderen de school konden bezoeken. Sociale motieven lagen hieraan niet ten grondslag, maar de opvatting dat iedereen de Bijbel moest kunnen lezen en bestuderen. Ook voor de goede gang van zaken tijdens de kerkdienst was lezen noodzakelijk om de Psalmen mee te kunnen zingen. Het is dan ook wel te begrijpen, dat de Synode van Dordrecht, ten aanzien van de scholen, in een besluit uit 1618, onder anderen zegt "inde weicke de jonge jeucht inde Godsaligheyt ende fondamenten der Christelycke leere, behoorlycken onderwe-sen worden, salmen niet alleen, lyck inde steden, maar oock in alle dorpen oprech-ten (oprichten), soo erghens voor desen geene en zijn opgerecht geweest (= waar tot op heden nog geen scholen opgericht zijn)". Een kerkelijk voorschrift dus voor het oprichten van scholen. Toen dan ook de Gereformeerde (=Hervormde) kerk aan de Leidschendam in gebruik kon worden genomen en een eigen predikant had gekregen, werd tevens aan het onderwijs de nodige aandacht besteed. Nu moest de nieuwe kerk een voorzanger en voorlezer hebben, een functie die - meestal werd gecombineerd met het schoolmeestersambt. Jan Jansz Vaerdiger, die dit laatste ambt in Veur1) vervulde, solliciteerde omdat hij al een paar maal was ingevallen in de voormalige noodkerk. Bovendien kon hij best een extraatje gebruiken; de beloning van een schoolmeester was nu eenmaal karig, zeker in Veur. De kerkeraad constateerde echter dat 'zijn gaven noch weinigh waren'. Niettemin werd besloten hem een kans te geven met een proefperiode van een half jaar 'op hoop dat hy hem ondertusschen nog meer sal oeffenen, in gaven toenemen ende de Gemeynte volcomen contente-ment (= tevredenheid) geven'. Hoe de man het heeft klaargespeeld is niet bekend, maar blijkbaar had hij ijverig geoefend, waren zijn gaven toegenomen en was de gemeente tevreden over zijn prestaties, want op 3 juni 1656 kreeg hij een definitieve aanstelling. Daarmee nam de kerkeraad in zekere zin een voorschot op zijn benoeming tot schoolmeester van Leidschendam. Voorlopig bleef hij nog in Veur les geven en gingen de 'Damse' kinderen daar naar school. Aan de zuidzijde van De Vliet, in Stompwijk dus, verlangden de kerkeraad en de ambachtsheren een eigen schoolhuis.

Een eigen school
 rekenabc.jpg

Het zogenaamde reken ABC, een middel om rekenen te leren in de 18e eeuw.

Nu moeten we van zo'n school een niet al te grote voorstelling maken. In de regel bestond een schoolgebouw uit niet veel meer dan een woning, waarin de meester woonde en waar in een lokaal werd les gegeven. Groot en klein, jongens en meisjes, alles zat bij elkaar in dezelfde ruimte. Het duurde echter tot 1660 voor de wens van de hoge heren kon worden verwezenlijkt en Vaerdiger als schoolmeester in Leidschendam een aanstelling kreeg. Zijn huis stond aan de Stompwijkse Achterweg (thans Nieuwstraat) in de buurt van de pastorie van de dominee. Enige sociale controle was blijkbaar gewenst. De plek was eigenlijk een beetje achteraf, zoals later zou blijken. Zijn beloning was mager, slechts vijfenveertig gulden per jaar. Daarboven kreeg hij nog drie gulden en tien stuivers 's jaars voor het verzorgen van vuur in de stoof van de predikant en het opschuren van het doopbekken. In totaal mocht hij op een tractement van achtenveertig gulden en tien stuivers per jaar rekenen. Bedacht moet worden dat de schoolkinderen hem voor de lessen moesten betalen; voor de kinderen die hij leerde lezen en schrijven één stuiver en acht penningen per week (16 penningen = één stuiver), van een kind dat alleen leerde lezen één stuiver en van kinderen waar hij erg veel moeite mee had en die alleen kwamen om er te 'zitten', acht penningen per week. Met zijn officiële beloning mee een inkomen van goed f204.- per jaar en vrij wonen. In 1662 ontving hij van de arm-meesters een eenmalige toeslag van f 24.-voor het op eigen initiatief les geven aan arme kinderen die uiteraard geen schoolgeld konden betalen.
Voor de volgende jaren mocht hij rekenen op f 8.- per jaar, mits aangetoond kon worden dat aan arme kinderen les gegeven was. Niet zonder reden viel Vaerdiger iedereen lastig met klachten over 'de kos-telycken rijt' (= kostbare=dure) om zo een verhoging van zijn schamele beloning te krijgen. Kennelijk heeft dat geholpen, want in 1666 kreeg hij een verhoging van f22.- en tien stuivers per jaar, met het voorbehoud dat hij er geen gevolgen voor de toekomst aan mocht verbinden. Met andere woorden: reken er niet altijd op. Uit de rekeningboeken uit die tijd blijkt inderdaad dat die toelage niet altijd werd gegeven. Met een dergelijk 'loonbeleid' komt vanzelf de vraag naar voren wat de meester voor dit geld moest doen. Welnu, meer dan we zo op het oog denken. In de eerste plaats moest hij de kinderen de confessie en de catechismus leren en daarnaast hen in lezen en schrijven onderwijzen. Zes dagen per week, van 08.00 - 11.00 uur en van 13.00 - 16.00 uur. Met uitzondering van de zaterdagmiddag waren de kinderen aan zijn zorgen toevertrouwd. Vakantie of vrije dagen waren er niet bij. Alleen op zon- en feestdagen of daarmee gelijk gestelde dagen mocht hij uitrusten, tenminste, van zijn schoolwerk, want tijdens de kerkdiensten was hij voorzanger en voorlezer.
Ook het kostersambt, het luiden van de klok voor de kerkdiensten en voor begrafenissen en de zorg voor het uurwerk behoorden erbij. Voor het luiden van de klok bij begrafenissen werd een vergoeding gegeven; tien stuivers bij het begraven van een volwassene en vijf stuivers bij het begraven van een kind. De helft hiervan moest hij echter afstaan aan de kerkmeesters. Voor armen en minvermogenden luidde hij de klok gratis. Ongetwijfeld zullen er nog wel meer kleine bijverdiensten zijn geweest, zoals bijvoorbeeld het schrijven van brieven voor derden enz.
Met al die 'baantjes' kwam hij dan toch nog aan een totaal bedrag aan inkomsten van ongeveer f300.- per jaar. Niet veel meer dan het loon van een goede arbeider. Natuurlijk was het geen vetpot. Toch denken we dat zijn levensomstandigheden best meevielen. Kinderen had hij niet en dat scheelt al gauw een 'slok op een borrel'.

De school achter de kerk

Vaerdiger smaakte het genoegen een nieuwe school te mogen betrekken. Dat was geen luxe, zoals we weten uit een verzoek uit 1673 van het dorpsbestuur, gericht aan de ambachtsheren van Stompwijk. Hierin komt naar voren dat de rekening van de verpondingen (plaatselijke belastingen) over het jaar 1672 een overschot had van f 1.200.-. Daarom werd toestemming gevraagd voor de bouw van een schoolhuis achter de Gereformeerde kerk aan de Leidschendam, waar al enkele jaren eerder voor dit doel een stuk grond was gekocht. Als argumenten voerde men aan 'eensdeels dat den schoolmeester van den Leytsendam syn school totaliter wert vermindert, vermits hy aldaer (= aan de Leidschendam) geen huys voor hem weet te becomen en daeromme genoodzaakt is 25 a 30 roeden van daer te woonen, alwaer onmogelijk is voor de leerkinderen te comen bij regenachtig weder ofte wintertyt, doordien de weg alsdan soo vuyl ende beslikt is datter geen ouwt mens en laat staan een kleyn kint door kan gaan, waeromme de ouders resolveren (= besluiten) omme haare kinderen van daer te nemen ende school te laten gaen in de byscholen bij harde papisten, welke byscholen om redenen vermelt niet wel kunnen worden verboden noch belet'. In het kort gezegd komt het erop neer dat meester Vaerdiger zo'n honderd meter van de Leidschendam woonde en zijn huis soms niet te bereiken was door de toestand van de weg. Als men nu weet dat de Stompwijkse Achterweg, waar -zoals gezegd- zijn woning stond, in de wintertijd en na langdurige regenval soms helemaal onder water stond, dan is dat te begrijpen. In het algemeen moesten kinderen op het platteland in de winter door dit soort omstandigheden de school verzuimen. Tot ver in de vorige eeuw kwam dat nog voor, met name in Stompwijk. Sommige inwoners profiteerden van deze gelegenheid om zonder veel risico een klandestien schooltje te drijven. In een overwegend RK omgeving , was zo'n schooltje uiteraard in RK-handen. Wettelijke middelen om dit tegen te gaan, waren er niet en knarsetandend moesten de Gereformeerden dit toezien. Gelet op de kerkelijke verhoudingen in die tijd was de verzuchting in het verzoekschrift over de 'harde papisten' niet meer dan een voor de hand liggende opmerking. Toch blijft het vreemd dat voor Vaerdiger -al die jaren dat hij in dienst was- geen beter bereikbaar pand kon worden gevonden.

schoolklas1.jpg

 Interieur van een 18e eeuwse school. Jongens en meisjes zitten er met gedekt hoofd. Alleen als ze bij de meester moeten komen wordt het hoofddeksel afgezet.

Ongetwijfeld zal de vermindering van het aantal leerlingen hem gevoelig in de portemonnee hebben getroffen. Hij was immers voor een niet gering deel van zijn inkomsten afhankelijk van de opbrengst van de schoolgelden. Het is ook niet onmogelijk dat hij werd geboycot door de niet-Gereformeerden. In het bewuste verzoekschrift werd verder nog een oneigenlijk argument gebruikt door naar voren te brengen dat men hoopte de gewoonte van de papisten om de vergaderingen van de kerkeraad in de consistoriekamer af te luisteren, gedwarsboomd zou worden als het open erf achter de kerk werd bebouwd. Ten slotte hield men de ambachtsheren een worst voor door te wijzen op een financieel voordeeltje: bij de bouw van een schoolhuis kon men de veertig gulden huur besparen die meester Vaerdiger jaarlijks voor het gebruik van zijn lokaal mocht declareren. Nu lijkt het alsof de ambachtsheren nog nergens van wisten, maar ondershands hadden schout en schepenen al voorbereidend overleg met hen gevoerd en waren zij dus op de hoogte. Bij dit overleg hadden zij het dorpsbestuur aangeraden hun licht op te steken bij Willem van der Helm, de stadsfabryk van Leiden (= directeur gemeentewerken). Naar diens oordeel zou het project wel voor vijf- a zevenhonderd gulden verwezenlijkt kunnen worden. Op 8 november 1673 gaven de heren hun toestemming tot de bouw, mits de totale kosten het overschot van de verpondingsrekening niet zou overschrijden. Met voortvarendheid werd het werk aangevat en niet lang daarna verhuisde Vaerdiger naar de Leidschendam. Lang heeft hij er niet kunnen werken, want op 31 januari 1677 overleed hij.

Het recht van benoeming

Nog maar nauwelijks had Vaerdiger de ogen gesloten of de kerkeraad kwam al bijeen om over zijn opvolging te praten. Omdat men niet meer precies wist hoe het indertijd met de schoolmeesierbenoeming was gegaan, werd het boek met de 'Handelingen' van de kerkeraad erbij gehaald. Hieruit leidde men af dat de kerkeraad het recht van benoeming bezat, zij het in overleg met schout en schepenen. Door onenigheid binnen dit laatste college ontstond kwestie over het benoemingsrecht. Zodanig zelfs dat de ambachtsheren zich ermee bemoeiden. Ondertussen belastte de kerkeraad zich met de ontvangst van de sollicitanten. Negentien kandidaten hadden zich aangemeld, waaruit zeven personen werden geselecteerd om een nader onderzoek te ondergaan. Op 5 maart 1677 kwamen ze 'opdraven' om de proeve van bekwaamheid af te leggen 'soo int lesen als oock int singen, eick van twee versjes uyt verscheyde psalmen van de swaerste (= moeilijkste) wyse, haer voorgeschreven by den predicant'. De verwevenheid tussen kerk en staat is nergens duidelijker te zien dan bij dit examen, waar het zwaartepunt ligt bij de dienst in de kerk en niet bij de taak in school. Wel moesten ze nog drie a vier regels handschrift inleveren en een formele sollicitatiebrief schrijven aan de ambachts-heren. Dominee De Wijs, die toen predikant was aan de Leidschendam, werd uitgenodigd voor een maaltijd bij de burgemeesters van Leiden, de ambachtsheren dus. De kerkeraad -en naar later zou blijken terecht- vreesde dat de beslissing hem volledig uit handen zou worden genomen en praatten op hem in dat zij, desnoods in overleg met het gerecht, een voorkeurslijst-je moesten maken, omdat zij immers het meest met de nieuwe schoolmeester hadden te maken. Kennelijk smaakte de wijn hem te goed en liet De Wijs zich volledig 'inpakken'. Volgens de ambachtsheren kon de kerkeraad de afhandeling rustig aan hen toevertrouwen. Zij hadden 'niet(s) als 't beste van kerck ende ingesetenen voor'. Maar na drie weken stond een zekere Jacob Kasteel met een acte van benoeming op de stoep, zodat de vacature 'met ongenoegen van kerckenraet ende ingesetenen' was vervuld. De beslissingsbevoegdheid was hiermee duidelijk gesteld en lag, tot de afschaffing van de heerlijke rechten in 1795, voortaan bij de ambachtsheren. Natuurlijk was Kasteel bij zijn benoeming op de hoogte van de nogal lage bezoldiging. Deze moet hem desondanks zijn tegengevallen, want in een aantal verzoeken bleef hij zijn broodheren lastig vallen met gezeur over de dure tijden. 'De aanhouder wint' moet hij gedacht hebben, want in 1685 had hij eindelijk succes en werd zijn tractement verhoogt tot f 130.- 's jaars. Toch menen wij het te betwijfelen of zijn herhaalde verzoeken tot dit resultaat hebben geleid. Wat was namelijk voorgevallen? De kerkeraad beklaagde zich erover dat de meester -ondanks vermaningen van de predikant- zo weinig werk maakte van het leren van de Christelijke gebeden en de catechismusvragen aan de hem toevertrouwde kinderen. Ook het zingen van een Psalm aan het einde van de schooldag liet Kasteel achterwege, bang als hij was dat de roomse kinderen dan uit zijn school zouden vertrekken, waardoor zijn inkomsten zouden verminderen. Wij denken daarom dat dit eerder de achtergrond is geweest het tractement te verhogen dan de sociale bewogenheid. Bij de salarisverhoging formuleerden de ambachtsheren dit onder de 'expresse conditie' dat de schoolmeester nooit ofte nimmer om een nieuwe verhoging mocht vragen. Inderdaad is de school-meestersbeloning ruim een eeuw onveranderd gebleven. Het woord 'koppeling' was toen nog niet uitgevonden. Jacob Kasteel overleed op 24 januari 1692 en werd opgevolgd door zijn zoon Johannes. Opmerkelijk is dat de kerkeraad zelfde ambachtsheren voorstelde hem te benoemen. Johannes had het 'vak' blijkbaar bij zijn vader geleerd, waar hij vermoedelijk als hulpmeester had gefunctioneerd. De kerkeraad wist dus wat voor vlees hij in de kuip had.

In de brand en uit de brand

Enkele maanden na de benoeming van de nieuwe schoolmeester werd Leidschendam door een grote ramp getroffen. Op 6 augustus 1693 brandden kerk en school en een groot aantal huizen tot de grond toe af. Zonder huis en zonder school moest Johannes Kasteel elders onderdak zoeken. o Gelukkig kon hij een kamer vinden bij Dirk Karreman, waar hij de komende zestien weken zou bivakkeren. Na een week konden ook de schoollessen worden hervat in het huis van Jan van Alenburgh die daarvoor dertig stuivers per week ontving. Ongetwijfeld zullen de kinderen het jammer gevonden hebben dat ze niet van een vakantie konden profiteren. Bij de opbouw na de brand was er immers heel wat te zien.
De herbouw van de school werd met voortvarendheid aangepakt. Eerst werd een bestek gemaakt dat op 13 oktober werd getekend. Omdat het bewaard is gebleven, zijn we goed op de hoogte van grootte en inhoud. Ondanks het feit dat de brand zo fel was geweest dat zelfs de fundamenten waren aangetast, moest zoveel mogelijk gebruikt worden gemaakt van het sloopmateriaal en de overgebleven muurresten. Pieter Jansz Langervelt tekende voor het metselwerk, voor de som van f299.-. Op 18 november moest hij het pand onder dak hebben en twaalf dagen later was de oplevering. Voor elke dag vertraging gold een boetebepaling van één gulden en tien stuivers. Het timmerwerk werd Huyg Dircksz van Leeuwen gegund voor de som van f427.-. Zijn werk moest uiterlijk 10 december worden opgeleverd, onder hetzelfde boetebeding. Ze werkten als paarden en bleven zelfs binnen de afgesproken aan-nemingstermijn en sleepten daardoor een bonus van f 5.- in de wacht. Het gebouw was bijna acht meter lang en mim zes meier breed. In het voorhuis woonde het gezin van de meester en aan de achterzijde, die aan het pleintje achter de kerk grensde, kwam de 'schoolkamer'. De binnenmuren die de brand hadden overleefd, moesten afgebikt worden, met taaie kalk bestreken en 'gladt en sierlyck gepleystert naer behoord'. Witte tegeltjes sierden de schoorsteenmantel en de plinten. Het woongedeelte bestond uit een kamertje met een vaste bedstee. De gang en keuken werden voorzien van nieuwe hard gebakken rode plavuizen; de vloer in het leslokaal moest het stellen met de oude nog bruikbare, uit de ruïne verzamelde, tegels. De school kreeg drie ramen, het meestershuis twee vensters. Een rood pannendak op een lage zolder met dakkapel, dekte het gehele pand. Hoewel naar een goedkope uitvoering was gestreefd, kwam de eindafrekening toch uit op f l. 166.-, een stuiver en zes penningen. Dit kwam voor een deel door allerlei extra's, zoals een heining om de boomgaard, een nieuw gemetselde put en een apart sekreet (wc) voor de meester. Huyg van Leeuwen timmerde met zijn knechts het meubilair in elkaar. Na anderhalve dag waren de tafels, de bank en de stoel van de meester gereed. Fraai zal het er bepaald niet hebben uitgezien. Het kostte dan ook maar f 15.- en drie stuivers. Voor een dergelijk bedrag mocht ook niet te veel worden verlangd. Toen na vijfjaar de afgebrande kerk opnieuw in gebruik kon worden genomen, smaakte Kasteel het genoegen een gedicht te mogen maken op de inwijding van het herbouwde Godshuis. Hij ontving hiervoor maar liefst f10.-. Met een tracie-ment van f 130.- per jaar bijna een maandloon.
Of het bij Johannes Kasteel aan de orde is geweest of later is niet meer te achterhalen, maar een ongedateerd stuk uit de periode vóór 1788 maakt melding van ruimtegebrek voor het onderwijs. Het grote aantal leerlingen dwong de kerkmeesters dus tot vergroting van het schoolhuis. De achterste muur werd uit het leslokaal geslagen en de zijmuren met drie meter verlengd. In deze muren bracht men een vierde raam aan en in de achtergevel kwam in het midden een deur met aan elke kant nog een raam. Over licht behoefden de scholieren zich niet te beklagen. Ook de vrouw van de meester was in haar nopjes, haar keukentje werd helemaal opgeknapt en handiger ingericht. Johannes Kasteel overleed in 1721 en werd opgevolgd door Willem van Meurs. Deze hield het niet lang in Leidschendam uit. Na zes jaar had hij het hier wel gezien en vertrok naar Oegstgeest. Het feit dat in die gemeente het ambt van koster niet door de schoolmeester behoefde te worden vervuld, zal ongetwijfeld een rol hebben gespeeld. Zelfs bij een gelijkblijvende beloning was dat toch een vooruitgang. Van Maarten van Vastenou, die in zijn voetsporen trad, is niets méér bekend dan dat hij 31 jaar het schoolmeestersambt, met alles wat daaraan vast zat, bekleedde. Hij overleed medio 1758.

Geen godsdienstige boeken meer

Jan Joosten van Eyk kwam op 19 september 1758 in de plaats van Vastenou en stak, wat diensttijd betreft, zijn voorganger naar de kroon. Na 43 jaar (!!) trouwe dienst verzocht hij in september 1801 om pensionering. In zijn tijd had hij meegemaakt dat de heerlijke rechten werden afgeschaft (1795) en dat de ambachtsheren niets meer over de school te zeggen hadden. Nu was de municipaliteit, het dorps-bestuur dus, de baas. Ook de scheiding van kerk en staat kwam tot stand en dat zou hij ondervinden. De voorzitter van de municipaliteit bracht in 1800 in een vergadering ter sprake, dat het onderwijs maar traag reageerde op de nieuwe inzichten. Er was hem namelijk ter ore gekomen dat op de school van Jan van Eyk 'als noch aan de jeugd ter leeringe worden gegeeven kerkelijke of godsdienstige boeken'. Holbeek, de voorzitter die zelf hervormd was, hield het bestuur voor dat dat 'niet alleen strijdig is tegens de tegenswoordige aangenomen principes, maar tevens ook tegen de uitdrukkelijke last door deze vergadering aan de respectieve schoolmeesters in den jare 1798 gegeven'. Afgesproken werd dat hij en nog een lid van de municipaliteit een onaangekondigd bezoek aan de scholen zou brengen. Een week hierna brachten zij verslag uit. Hun bevindingen waren teleurstellend, maar de schoolmeesters hadden toegezegd zich in het vervolg van dergelijke boeken te zullen onthouden. Hierna horen we daar niets meer over. In een uit die tijd daterend rapportje van kerkmeesters over de toestand van het schoolgebouw, wordt melding gemaakt van de slechte staat waarin het pand verkeerde. De brandgevel en de beide schoorstenen zouden tot de grond toe moeten worden afgebroken. De zolder lag open en de goten en alle kozijnen moesten worden vernieuwd. Het herstel schatte men op f900.-. Er gebeurde echter niets. Of dit de druppel is geweest die de emmer deed overlopen en waardoor Van Eyk om zijn pensionering vroeg, weten wij niet. Hoewel dit verzoek al in september 1801 was gedaan, moest hij in februari en in april reclameren dat hij maar niets hoorde over zijn opvolging. Het lijkt erop dat de ambtelijke molens ook toen al langzaam maalden. Toch had het dorpsbestuur niet stil gezeten, want na het verzoek van Van Eyk werd de schoolopziener Bernardus Spoelstra ingelicht over de aanstaande vacature en werd geadverteerd in de Haagsche en in de Leidsche Courant. Met de kerkeraad werd overeengekomen dat de municipaliteit drie kandidaten uit de sollicitanten zou kiezen, waarvan de kerkeraad er één van mocht wegstrepen. De uiteindelijke benoeming was nu het voorrecht van de municipaliteit. Uit dertien kandidaten werden zes man geselecteerd 'na dezelven in de Schrijv en Rekenkonst, alsmede de Fransche taal behoorlijk te hebben onderzogt'.
Spoelstra bekeek de resultaten en gaf advies aan de municipaliteit, die drie kandidaten nomineerde die een loffelijk examen hadden afgelegd. De persoonlijke voorkeur ging uit naar Jan Oostenrijk, Frans ondermeester in Schoonhoven. Ditmaal waren predikant, kerkeraad en municipaliteit het volledig met elkaar eens: Oostenrijk moest het worden. Op 19 april 1802 volgde dus zijn benoeming.

schoolklas.jpg

 Interieur van een school in de eerste helft van de 19e eeuw.

Alweer een bouwvallig schoolgebouw

Inmiddels was men -het is al eerder gezegd- geconfronteerd met de bouwvallige staat van het schoolgebouw. Een commissie, samengesteld uit kerkeraad en municipaliteit, had eendrachtig de afspraak gemaakt het schoolhuis in elk geval voor de winter begon, te herstellen. Intussen zou een plan worden gemaakt omtrent de financiering van de totale restauratie. Ook een regeling voor het toekomstig onderhoud werd nodig geacht. De ambachtslieden Gerardus Dobbe, timmerman, en Hendrik Hooymans, metselaar, stonden de commissie bij en kwamen op een becijfering van f 2100.-.
Over de noodzaak van het herstel werd nauwelijks gediscussieerd, daar was men het al lang over eens, maar de vraag was:
wie moest dat betalen? Na maanden touwtrekkerij neigde de voorzitter van de municipaliteit ertoe het gemeentebestuur voor te stellen maar een ander huis voor de school te kopen. Het gekibbel was hij meer dan zat. Maar de municipaliteit voelde meer voor de ideeën van de kerkeraad, die voorstelde het eigendom aan de kerk te laten en het onderhoud voor rekening van het dorpsbestuur te brengen. Als voorwaarde van deze zijde moest de kerkeraad verklaren dat het schoolhuis altijd deze functie zou hebben en dat de meester het eerste recht van bewoning zou behouden. Verder wilde zij haar handen vrij hebben bij de benoeming van een schoolmeester, zonder zich te verplichten alleen kandidaten te selecteren die ook als voorzanger/koster acceptabel waren voor de kerk.
De kerkeraad kon wel met deze voorwaarden leven, maar de vergadering van de Hervormde lidmaten, die haar goedkeuring aan dit compromis moest geven, dacht er anders over en stemde tegen. Intussen zat Jan Oostenrijk met de gebakken peren. Hij zag de ontwikkeling met lede ogen aan en wees de municipaliteit op haar belofte hem een behoorlijk lokaal voor zijn beroep te geven. Toen hij niets vernam, noch enige activiteit bespeurde, nam hij de schoolopziener in de arm. Deze had al eerder in Leidschendam een poging ondernomen om in het conflict te bemiddelen. Hij had gemeend dat de zaak toen was geregeld, maar merkte nu tot zijn teleurstelling dat dat niet het geval was. Op 15 oktober 1802 richtte hij zich tot de municipaliteit met de woorden: 'Het gehaspel van die lieden is niet alleen voor mij zeer verveelend, maar het ergste is dat men door dit dralen eenen man ontmoedigd die zoo zeer tot onderling genoegen gekozen is; een man daar ik de beste ver-wagting van heb en die gewis de behandeling niet verdient, die men hem in deezen aandoet; eenen behandeling die vast ten nadeele van het onderwijs der jeugd moet uitlopen'.
Uit een belegde vergadering met Spoelstra, de schoolopziener, als voorzitter kwam ook al niets en na verdere moeizame onderhandelingen moesten de kerkmeesters toch erkennen dat het eerder bereikte compromis het maximum was. Wel sleepten ze er nog f 50.- per jaar uit, in ruil voor het eeuwigdurend vruchtgebruik aan de municipaliteit. De kosten van een al aangespannen rechtsgeding kwamen voor gezamenlijke rekening. Een Actie van Transactie en Accord, die op 8 mei 1803 bij de notaris werd getekend, luidde definitief het einde in van een jaren durende twist. De openbare aanbesteding van de renovatie van het schoolgebouw kon nu plaatsvinden en was op 16 juni 1803 in het regthuys 'De Zwaan'. Het pand moest tot op de fundamenten worden afgebroken en opnieuw worden opgetrokken. De schoolwoning werd aanmerkelijk groter door een aangebouwde serre, die als zomerhuis dienst deed, in de nieuwbouw op te nemen. Nieuw was ook dat de leerlingen een tweede 'secreet' (wc) , kregen met, zoals de omschrijving luidt: 'zittingen met schot en behoorlijke afwatering van agteren', waarmee bedoeld werd dat ze boven een sloot stonden. De meester kreeg een nieuwe lessenaar en stoel en voor de leerlingen kwamen er drie 'schrijftafels'. De oude losse schoolbanken, die nog uit 1693 stamden, werden gerepareerd, zodat de kinderen hun kleren niet meer konden ophalen aan de uitstekende spijkers. De eerder genoemde adviseurs Hooymans en Dobbe waren verreweg de laagste inschrijvers met een aan-neemsom van f l .089.-. Ook voor die tijd een laag bedrag. Goedkoop bleek echter duurkoop, want toen de kerkmeesters het gebouw na de oplevering inspecteerden, stelden ze een waslijst mei gebreken op. Zelfs beweerden ze dat er nog veel meer niet naar genoegen was uitgevoerd, maar met het realiseren van de op de lijst genoemde reparaties zouden ze al tevreden zijn.
Pas 15 Jaar na de eerste rapportage was de restauratie op 18 mei 1804 eindelijk voltooid.

Na ruim 120 jaar weer tractementsverhoging

De schrielheid van het gemeentebestuur en de kerkmeesters was zo langzamerhand wel legendarisch. Sinds 1685 mocht de schoolmeester nog steeds op dezelfde beloning rekenen. De economisch slechte tijd waarin meester Oostenrijk werkte en de weinige hoop op betere tijden bracht hem ertoe in 1806 verhoging van zijn salaris te vra-'gen. Waarschuwend voegde hij eraan toe dat hij anders 'hoe ongaarne ook' naar een andere betrekking zou moeten solliciteren. Nu was het verschil in tractement tussen de meesters in het Stompwijkse nogal groot; die uit Wilsveen verdiende het meest en die uit de Zoetermeerse Meer het minst. Eindelijk besloot men dit verschil uit de weg te ruimen, zodat Oostenrijk met l november een jaarsalaris ontving van f 140.-. Dat zo vlot op zijn verzoek werd ingegaan, zal wel toe te schrijven zijn aan zijn grote onderwijscapaciteiten en de waardering voor zijn werk. Overigens ontving hij van de kerk ook nog f 50.- als koster/voorzanger/voorlezer. Door zijn uitstekende beheersing van de Franse taal, verving hij bovendien de afwezige secretaris Johannes Leesberg. Toen deze functie werd omgezet in een griffier-schap werd hij eveneens als zodanig aangesteld. Men dacht namelijk dat Oostenrijk zich tevreden zou betonen met een bescheiden salaris, aangezien hij als 'insti-tuteur dans les deux langues (onderwijzer in de twee talen) hier al 'un revenu passa-ble' (tamelijk inkomen) genoot. Daarin zou het gemeentebestuur zich schromelijk vergissen. Oostenrijk rekende het volle pond. Na een jaar bleken de functies van griffier en schoolmeester niet te combineren en moest gekozen worden. Het secreia-risschap gaf meer status en leek met een salaris van frs. 1.000.- (f476.-) per jaar, veel aantrekkelijker. Toch koos Oostenrijk voor het schoolmeesterschap, zodat wij mogen aannemen dat hij als zodanig meer verdiende. Bedacht moet worden dat zijn tractementen van f 140.- en f 50.- samen slechts een basisinkomen waren. Het overgrote deel van zijn verdiensten kwam uit schoolgelden. Als enige in de gemeente gaf hij avondonderwijs, wat hem ook geen windeieren zal hebben gelegd. Zijn school werd druk bezocht. In 1809 had hij 90 leerlingen, waarvan tweederde deel uit het dorp afkomstig was en eenderde deel uit Veur.
Hoe gekwalificeerd hij was, bleek wel uit het feit dat hij zelfs enige kinderen uit Stompwijk en Wilsveen wist te lokken.

Weg achter de kerk

Hoewel er tussen het gemeentebestuur en de kerk goede afspraken bestonden over het onderhoud van school en schoolhuis, werden deze niet nagekomen. Terecht klaagde meester Oostenrijk daarover en toen dat niet hielp, verzocht hij in 1817 de gouverneur van Zuid-Holland zijn invloed te laten gelden. Zijn schoolhuis was volstrekt ongeschikt en ontoereikend voor zijn grote gezin (ongeveer 8 kinderen). Zijn grootste grief was echter dat de kerk hem had bevolen zijn woning per l mei te ontruimen, zonder aan te geven waarheen hij zou moeten verhuizen. Dit laatste wilde hij wel, mits hem een fatsoenlijk pand werd toegewezen of dat zijn salaris zodanig werd verhoogd dat hij zelf iets kon huren. De gouverneur die eigenlijk wel op het onderwijs wilde bezuinigen, nam deze gelegenheid te baat bij het gemeentebestuur te informeren hoeveel onderwijzers binnen de gemeente werkzaam waren, zodat hij kon beoordelen of de school van meester Oostenrijk eigenlijk wel gehandhaafd moest blijven. Gelukkig wist men deze aanval op zijn school af te slaan. Verder kreeg men gedaan dat hij niet alleen in zijn school mocht blijven wonen, maar dat ook de hoognodige herstellingen werden uitgevoerd. De reparaties werden hoogstpersoonlijk door een commissie uit de gemeenteraad bekeken. Blijkbaar waren ze sprakeloos van hetgeen ze zagen en rapporteerden de kerkmeester 'dat het dak niet alleen niet waterdicht is, maar over het algemeen zoo slegt gelegd is, dat zij des-weegens geene woorden weten te vinden om hun ongenoegen uit te drukken'. Het lag echter niet aan de kerkmeesters maar aan de metselaar H. de Ruyter die het dak op eigen kosten opnieuw moest leggen. Veel heeft dit allemaal niet geholpen, want in 1840 was het gebouw zo slecht dat een geheel nieuwe school moest worden gebouwd. Gecombineerd met raadhuis en onderwijzerswoning verrees het complex aan de Delftsekade, hoek Raadhuisstraat.
Na een dienstverband van bijna 44 jaar in Leidschendam, overleed meester Oostenrijk op 11 april 1846 in de leeftijd van 68 jaar. Veel had hij voor de plaatselijke gemeenschap betekend.

Einde van het openbaar onderwijs
 lessenaar.jpg

De meester zat op een degelijke houten stoel, met daarvoor een al even degelijke lessenaar en staand op een dito vlonder. Let op het Spaanse riet dat aan de kant van de stoel hangt. Hiermee werd het stoute kind getuchtigd.

In 1841 kwam de oude school in handen van de diakonie, die er een armenhuis van maakte. Een succes moet het bepaald niet zijn geweest, want in 1867 werd het gebruikt als kosterswoning. In 1893 kocht de kerk het inmiddels onbewoonbaar geworden kostershuis en liet het inrichten en gebruiken als verenigingsgebouw tot het in 1950 werd afgebroken en werd vervangen door het huidige dienstgebouw aan de Regthuysstraat.
De in 1840 gebouwde school is nooit erg groot geweest. Toen het bijzonder onderwijs steeds meer vaste voet kreeg, stonden zelfs lokalen leeg. Omdat het gebouw bovendien hard aan een dure opknapbeurt toe was, was dit voor de schoolopziener in 1921 reden om opheffing van de school voor te stellen. De leerlingen zouden dan overgeheveld kunnen worden naar de in betere staat verkerende openbare school in Veur. Ouders die de bui al zagen aankomen, trachtten via de oudercommissie de school nieuw leven in te blazen en stelden voor een zevende en achtste leerjaar aan de school te verbinden, ter voorbereiding van het voortgezet onderwijs. Het mocht niet baten. In hetzelfde jaar besloot de Stompwijkse gemeenteraad een gemeenschappelijke regeling aan te gaan met de gemeente Veur inzake het bezoek van leerlingen uit hun gemeente aan de openbare school in Veur. Het beroep dat de ouders tegen dit besluit instelden, werd door de Kroon in 1923 afgewezen. Aan de gemeenschappelijke regeling werd evenwel nog geen uitvoering gegeven, omdat voor de nodige verbouwing van de Veurse school de financiën ontbraken. Toen echter het hoofd van de school en zijn enige onderwijzeres per 16 november 1924 ontslag namen wegens vertrek naar elders, stond men met de rug tegen de muur. Na het vertrek van de leerkrachten gingen dan ook de kinderen in Veur naar school; de verbouw was inmiddels ook al begonnen. Op 7 januari 1924 was een en ander gereed en werd de verbouwde school officieel heropend.
Toch waren er nog heel wat ouders die zich niet bij de gang van zaken konden neerleggen, want we zien dat in 1935 een nieuwe openbare school aan de Westvlietweg wordt geopend. Lang heeft deze school niet bestaan en zij is ook al weer jaren opgeheven. Bovendien was het eigenlijk geen school meer van het dorp Leidschendam, want ze stond er zelfs een kilometer vandaan.
Eerst na de Tweede Wereldoorlog, toen de gemeente zich o.a. in Leidschendam-Zuid sterk uitbreidde, zou weer sprake zijn van gemeentelijk onderwijs.
De huidige 'Christinaschool' staat dan wel niet bij de kerk of aan de Delftsekade, maar hoort wel bij het dorp.

J.D. de Kort


Terug naar overzicht

Laatste publicatie

Erf Goed Nieuws mei 2021
mei 2021, jaargang 29, nummer 1

Erf Goed Nieuws mei 2021

Erf Goed Nieuws mei 2021

Lees verder Alle publicaties